woensdag 5 februari 2014

De chaos en de gekte van kamp Amersfoort

De Delftse student Mom Wellenstein overleefde kamp Amersfoort en publiceerde na bijna zeventig jaar zijn herinneringen aan het allereerste concentratiekamp in Nederland. 

Op 19 april 2004 houdt Edmund ‘Mom’ Wellenstein een herdenkingslezing bij Kamp Amersfoort. Het is dan 62 jaar geleden dat hij daar was, als 23-jarige student, opgepakt wegens het verspreiden van een illegaal krantje, De Oprechte Delftenaar. Na een half jaar werd hij tot zijn verrassing vrijgelaten, waarna hij onmiddellijk zijn verzetswerk weer oppakte. Na zijn kamptijd schreef Wellenstein zijn ervaringen op. ‘Ik wilde de geschiedenis vastleggen, vooral omdat velen het niet meer konden navertellen. Ik heb in Amersfoort de laatsten van een groep van zo’n honderd zogenaamde Russen zien afvoeren. Deze Aziatische krijgsgevangenen hebben geen steen op hun graf. Iedereen zou hen zijn vergeten. Op deze manier was er nog een getuigenis van hun bestaan’, zegt hij in een interview met het Reformatorisch Dagblad d.d. 5 april 2013. ‘Ik vind het nog steeds onbegrijpelijk dat men in een oorlog, waarin elke trein nodig is, een groep mensen meer dan 1000 kilometer vervoert om ze in een kamp te laten sterven en de overlevenden te doden. Dat is alleen pure wreedheid.’ Pas dit jaar leidden zijn aantekeningen tot een heus boek, Nummers die een ziel hebben, een sober en tegelijkertijd aangrijpend relaas over zijn verblijf in  Polizeitliches Durchgangslager Amersfoort. Het was het eerste kamp in Nederland dat naar het model van een Duits concentratiekamp was ingericht en georganiseerd, onder leiding van de SS en destijds in de buitenwereld nog nauwelijks bekend, want tot dan toe was er nog bijna niemand ooit weer uitgekomen. Levend. Sowieso was Nederland nog nauwelijks bekend met het begrip concentratiekamp. Kamp Westerbork was nog niet gebouwd, Vught evenmin, laat staan dat men enig idee had wat zich elders in de wereld afspeelde. ‘Ik belandde op een plek waar ik de waanzin in werking zag’, vertelt Wellenstein in het radioprogramma Het spoor terug, d.d. 31 maart 2013. ‘We voeren dus niet alleen oorlogen, we zijn totaal van de wereld los. We wisten nog niets van de vernietigingskampen maar in Amersfoort zagen we het systeem in al zijn kleinheid. Alle excessen die hier plaatsvonden werden later grootschalig toegepast in de vernietigingskampen. Het was maar een minuscuul gebeuren daar in Amersfoort, een speldeknopje in een gigantisch breiwerk, en ik maakte er deel van uit. Later ontmoette ik in mijn leven mensen die op andere plekken op de wereld precies hetzelfde hadden meegemaakt, dezelfde chaos. En net als ik  hadden ze die chaos overleefd. Het had ook anders kunnen lopen…’

Studentenverzet

Edmund Peter Wellenstein bracht zijn kinderjaren door in Nederlands-Indië, waar zijn vader bestuursambtenaar in de toenmalige kolonie was. Na het overlijden van zijn vader keerde het gezin terug naar Nederland. In 1937 begon hij aan een studie natuurkunde aan de Technische Hogeschool Delft. Aan een onbezorgde studententijd kwam drie jaar later een einde met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Mom Wellenstein werd voorzitter van de Centrale Commissie voor Studiebelangen. En hoewel deze commissie daar niet voor was bedoeld, kreeg dit orgaan tijdens de bezetting een steeds belangrijker functie als studentenvertegenwoordiging. Waar het bestuur van de TH Delft zich zo veel mogelijk trachtte te schikken naar de wensen van de bezetter, in de hoop de hogeschool zo lang mogelijk open te houden, pleitte de Centrale Commissie voor Studiebelangen voor openlijk verzet. Toen joden de toegang tot de hogeschool werd ontzegd, brak er een studentenstaking uit. Toen joden geen lid meer mochten worden van studentenverenigingen, hieven de verenigingen zichzelf op. Samen met enkele mede-studenten richtte Wellenstein een klein verzetsgroepje op met als doel te publiceren over wat er allemaal voor schandelijks gebeurde op bestuurlijk niveau. Hij leende 100 gulden van een oom voor de aanschaf van een stencilmachine en papier en schreef een lijvig protest, een oproep aan alle medewerkers van de TH om niet mee te werken aan het verderfelijke nazi-systeem. De NSB-curator van de TH kreeg er lucht van en liet Wellenstein arresteren. Na twee maanden te hebben doorgebracht in het Oranjehotel in Scheveningen werd hij op transport gesteld naar kamp Amersfoort. ‘In de gevangenis in Scheveningen, waar ‘Amersfoort’ als mogelijke bestemming vagelijk bekend was, dachten velen nog; lekker buiten! Wel begrijpelijk als men zijn dagen in een cel doorbrengt. Maar toen wij hier de eerste verspreide Häftlinge met slepende tred en holle ogen aan ons voorbij zagen komen, waarvan er één met stokslagen werd voortgejaagd, wisten wij direct al beter. Die heerlijke, frisse buitenlucht werd bij de heersende kou al gauw één van de vele vijanden van onze snel verzwakkende lijven’, vertelt Wellenstein in 2004. 

Kampleven 

Hij is altijd terughoudend geweest om over zijn kampervaringen te schrijven. Hij was bang onvoldoende de diepere essentie van zijn ervaringen te kunnen verwoorden. Want hoe omschrijf je honger, échte honger? Hoe omschrijf je de angst, de paniek, het gevoel om als een beest behandeld te worden? En hoe omschrijf je de enorme overlevingsdrang die in elk mens schuilt? In ‘Nummers die een ziel hebben’ slaagt hij daar echter wonderwel in. Hij beschrijft secuur het dagelijkse leven in het kamp. Hij schetst een indringend beeld van de verschillende manieren waarop mensen onder dit soort extreme omstandigheden reageren en hoe eenieder vooral bezig is met het eigen overleven.  Wellenstein weet echter zijn ervaringen en ooggetuigenverslagen op een ander niveau te tillen. Hij beschrijft zonder waardeoordeel, bijna filosofisch,  hoe de processen verlopen die mensen ertoe brengen wezenlijke scheidslijnen te overschrijden. Het is een nuchter, praktisch verslag van zijn verblijf in Amersfoort. Het zijn herinneringen aan veel ellende, aan brute, vaak sadistische willekeur. Toch denkt Wellenstein niet zwart-wit. Er waren ook ‘goede’ Duitsers, die gevangenen spaarden waar ze konden. En er waren ‘foute’ Nederlanders die zich hadden laten rekruteren voor het SS-wachtbataljon, en die de wachttorens bewaakten. Goed en slecht, de grenzen vervaagden in kamp Amersfoort. 

Voorloper EU

Wellenstein schrijft met veel warmte over enkele van zijn kampgenoten, kameraden die elkaar steunden, maar die in veel gevallen weer afscheid van elkaar moesten nemen. Telkens weer een intens verdrietig moment. Veel van deze kameraden overleven de oorlog niet. Wie de oorlog wèl overleeft is Max Kohnstamm. De vijf jaar oudere, pas afgestudeerde historicus werd als represaille voor een gepleegde aanslag  drie maanden in Amersfoort opgesloten. In Kohnstamm treft  Wellenstein een lotgenoot en zielsverwant. Ze zitten op dezelfde golflengte en vragen zich af: Waar moet het na deze menselijke en politieke catastrofe heen? Hoe kan een terugval in deze barbarij worden voorkomen? Vijf jaar na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog staan Wellenstein en Kohnstamm samen aan de wieg van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de voorloper van de EU, met als doel te voorkomen dat er opnieuw een wedloop ontstaat om elkaar militair en politiek te overheersen. ‘Geen vage, abstracte ideeën voor een beter Europa, maar een nuchtere, zakelijke aanpak om het rivaliserende naast elkaar leven van wantrouwende buurstaten te overstijgen in een bovennationale behartiging van gezamenlijke belangen.’ In verschillende uiteenlopende functies - Wellenstein werd secretaris-generaal bij de EGKS - wijdden Kohnstamm en Wellenstein hun verdere professionele leven aan deze zaak, waarvoor de kiem werd gelegd in de modder van Amersfoort. 

Meer Delftse gevangenen 


Bij aankomst in kamp Amersfoort ontdekt Mom Wellenstein meteen vrienden en kennissen uit Delft. Deze inmiddels ervaren kampbewoners maken hem duidelijk dat hij het beste kan verzwijgen dat hij student is. ‘Studenten en dominees maken ze ’t hier extra zuur’.  Op aanraden van mede-Delftenaar Herman Bolt schrijft Wellenstein zich in als natuurkundige. In Amersfoort treft Wellenstein diverse leden van de verzetsgroepen Mekel en Schoemaker, die daar hun proces afwachten. De Delftse hoogleraren ir. R.L.A. Schoemaker en prof.dr.ir. J.A. Mekel richtten vlak na het begin van de bezetting met vele Delftse studenten verschillende verzetsgroepen op. Zij werden in 1941 verraden, opgepakt en in 1942 overgeplaatst naar kamp Amersfoort, waar in april 1942 een proces tegen hen werd gevoerd. Bijna alle leden van de verzetsgroepen werden ter dood veroordeeld en in concentratiekamp Sachsenhausen Oranienburg geëxecuteerd. Zij behoorden tot de eerste lichting van de in totaal 183 slachtoffers uit de Delftse universitaire gemeenschap die zouden omkomen door direct of indirect verzet tegen de Duitsers. Wellenstein meldt in zijn boek dat Schoemaker de tijd in Amersfoort doorbracht met het ontwerpen van de dakconstructie van het nieuwe magazijn dat de Maurer und Handlänger achter de ziekenbarak moesten bouwen. Geen Duitser begreep iets van die constructie, zodat de professor veel vrijheid had. Meestal zat hij in de Duitse Schreibstube te tekenen en af en toe vertoonde hij zich op het werk, om aanwijzingen te geven. Ook de Delftse student Frans van Hasselt maakte deel uit van de groep Mekel. Hij bevond zich samen met Wellenstein in het kamp. Van Hasselt was in opspraak geraakt omdat hij had geprotesteerd tegen het ontslag van Joodse hoogleraren aan de Technische Hogeschool. Daags nadat dit besluit was bekendgemaakt, verzamelde zich een menigte bij het Gebouw voor Weg- en Waterbouwkunde, omdat men verwachtte dat professor mr. A.C. Josephus Jitta daar zijn laatste college zou geven. Dat college ging niet door maar Frans van Hasselt, student en voorzitter van Het Gezelschap Practische Studie, hield er een korte maar krachtige rede met als thema: ‘Zalig zijn zij die vervolgd worden om der gerechtigheid wille’. De volgende maandag en dinsdag staakten drieduizend Delftse studenten. Het was de eerste vorm van studentenverzet in Delft gedurende de jaren ’40-’45.

Onverwachte vrijlating 

Behalve Mom Wellenstein werden ook de Delftse studenten Henk Reef en Leo Hupkes aangehouden op verdenking van het vervaardigen en verspreiden van De Oprechte Delftenaar. Beiden werden veel eerder dan Wellenstein vrijgelaten. Pas na de oorlog kreeg Wellenstein te horen hoe één en ander in zijn werk was gegaan. De arrestatie van de drie Delftse studenten had de bezettingsautoriteiten in een gênant conflict gebracht met vader van Leo Hupkes, die president-directeur was van de Nederlandse Spoorwegen. In die tijd was dat nog een invloedrijke functie. Leo werd al na een maand vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. Henk verbleef drie maanden met Wellenstein in kamp Amersfoort en werd toen eveneens op vrije voeten gesteld. Hij vertelde Wellenstein vele jaren later dat hij aanwijzingen had dat ook zijn vader, eigenaar van een groot aannemingsbedrijf, beïnvloedingsmogelijkheden bij de autoriteiten had gevonden. De moeder van Wellenstein had die mogelijkheid niet, maar zij had via de advocate mr. Ragnhild Stapel toegang gekregen tot Wellensteins Sacharbeiter. ‘Pas achteraf hoorde ik dat die haar kort voordat mijn zes maanden Amersfoort om waren, had laten begrijpen dat het niet meer zo heel lang zou duren. Mijn slimme moeder had voor haar bezoek geen emotionele argumenten aangevoerd, maar beetoogd dat zij toch moest weten of mijn studentenkamertje à 15 gulden per maand voor het nieuwe studiejaar moest worden aangehouden. Neen, was het antwoord, want als hij vrij komt mag hij niet meer studeren. O, zei mijn moeder, wanneer is dat dan? Waarop het ‘niet zo lang meer’ kwam, waarschijnlijk verrast door het zakelijke gesprek. Maar dat wist ik in de PDA natuurlijk niet. Ik was eerder ongerust omdat ik alleen was overgebleven. Ik stelde mij geheel in op lange gevangenschap en telde de maanden niet eens meer.’


Meer informatie: www.kampamersfoort.nl

‘Nummers die een ziel hebben’. ISBN978 90 253 7048 0. Uitgeverij Athenaeum, € 17,50

Artikel is eerder verschenen in Delf


De fluwelen revolutie aan de TH Delft


De jaren zestig zijn de geschiedenisboekjes ingegaan als een roerige tijd. De koude oorlog bepaalde de internationale politieke verhoudingen. In Nederland kwam het tot een botsing tussen de gevestigde en de nieuwe orde. Gerenommeerde theatergezelschappen werden met tomaten bekogeld vanwege hun gebrek aan maatschappelijk engagement. In universiteitssteden kwamen jongeren in opstand tegen de starre verhoudingen in de maatschappij. 

Nadat in 1968 in Parijs opstanden waren uitgebroken onder Franse studenten, sloeg de geest der revolutie over naar Nederlandse studentensteden. In 1969 bezetten studenten het Amsterdamse Maagdenhuis om medezeggenschap af te dwingen op allerlei niveaus. In Delft leefden dezelfde ongenoegens,  maar wilde Amsterdamse taferelen speelden zich hier niet af. Natuurlijk, de spirit van de jaren zestig ging niet aan de Delftse studenten voorbij. Ze lieten hun haar groeien, ze lieten hun colberts thuis en gingen gekleed in coltruien. Ze luisterden naar de Rolling Stones en The Beatles, zagen hun ongenoegen vertaald in protestsongs van Bob Dylan en Boudewijn de Groot en vluchtten - al dan niet geholpen door geestverruimende middelen - in de psychedelische muziek van Pink Floyd of The Doors.

Fluwelen revolutie

In mei 1969 nam het verzet van de Delftse studenten vaste vormen aan. Ze hadden hun buik vol van de autoritaire, arrogante houding van de hoogleraren aan de Technische Hogeschool. ‘Het was een kaste die zich boven iedereen verheven voelde’, verklaarde actievoerder van het eerste uur Jan Ilsink in 2006 in een interview met Delft Integraal. Aanvankelijk beperkte het verzet zich tot het verspreiden van pamfletten en het ophangen van posters met leuzen. In 1969 kwam het echter tot een botsing tussen de hoogleraren van Bouwkunde en de studenten. Aanleiding was de onvrede over de zeer beperkte inspraak van studenten en niet-wetenschappelijk personeel op het gevoerde beleid. Wytze Patijn, oud-decaan van de faculteit Bouwkunde en tegenwoordig stadsbouwmeester van de gemeente Delft, studeerde bouwkunde toen de macht van de hoogleraren via een fluwelen revolutie werd gebroken. “Tijdens een openbare vergadering werd naar aanleiding van een drietal moties alle macht overgedragen aan een algemene vergadering van studenten en personeel.  Voortaan zou iedereen één stem hebben.” Vanaf dat moment waait er een nieuwe, frisse wind door de Bouwkunde Delft. Er worden nieuwe gastdocenten aangetrokken, studenten mogen zelf onderwijsvormen verzinnen en praktijkonderwijs doet zijn intrede. Groepsgewijs bestuderen studenten onderwerpen als milieuvervuiling, politieke theorie, cultuurfilosofie, industrialisatie van de woningbouw, stadsvernieuwing en bewonersparticipatie.

Twijfel

Over elke beslissing - van de benoeming van nieuwe hoogleraren tot de kwaliteit van het kantinevoedsel – werd uitgebreid en breed gediscussieerd. De hoogleraren boden daar opmerkelijk genoeg alle ruimte voor. ‘Als jonge studenten meenden wij dat we de wijsheid in pacht hadden”, zegt Patijn. “Ik heb mijn eigen teksten uit die tijd nog wel eens teruggelezen en heb me afgevraagd: waar haalden we het lef vandaan om zo’n toon aan te slaan? Verbazingwekkend dat men dat van ons pikte.” Hoogleraren uit die tijd hebben daar wel een verklaring voor. “Ik probeerde te vermijden om tegen studenten in te gaan. Ik ging een eind met ze mee en daarin kon ik ze bijsturen. Zo kon je het meest bereiken”, aldus oud-rector magnificus prof.dr.ir. Hans Dirken in Delft Integraal.  “Het was een tijd waarin niemand iets meer absoluut zeker wist. De oorlog was voorbij. De tijd van de wederopbouw eveneens. Onze generatie vond alles wat er was gebeurd fout en stelde de oudere generatie hiervoor verantwoordelijk. Alles werd ter discussie gesteld. Daardoor gingen sommige docenten zelf ook twijfelen. Tegelijkertijd zagen ze ook wel in hoe griezelig het was om jong volwassenen alle macht te geven. Dus probeerden ze vanuit hun eigen verantwoordelijkheidsgevoel betrokken te blijven bij de jongeren, al zal ze dat ongetwijfeld ook moeite hebben gekost.” Sommige docenten hadden hier geen geduld voor. Prof. W.T. Koiter bijvoorbeeld, een zeer invloedrijke hoogleraar toegepaste mechanica, had grote bezwaren tegen de invoering van de democratisering bij de universiteiten en nam in 1973 zijn ontslag. Hij wenste in een democratische structuur geen bestuursverantwoordelijkheid te nemen. Een dergelijke structuur was in zijn ogen inherent corrupt.

Grimmige sfeer

Hoogleraren die zich niet wensten te conformeren aan de nieuwe mores, werd het vuur aan de schenen gelegd. Aldo van Eyck en Herman Hertzberger werden aanvankelijk als helden binnengehaald, maar al na een paar jaar werden de architecten verketterd vanwege hun denkbeelden. Patijn: “De studentenbeweging kreeg steeds meer politiek-marxistische trekjes. De vrije sfeer van laat duizend bloemen bloeien sloeg om en kreeg iets grimmigs. De bestuurlijke revolutie leidde tot vernieuwing van het architectuuronderwijs. Het algemene idee was dat we de samenleving moesten veranderen. We wilden geen architect meer worden, maar sociaal ingenieur. We zetten ons steeds meer af tegen ontwerpdocenten die alleen vakgericht onderwijs wilden geven en een maatschappelijke en politieke oriëntatie in het onderwijs niet van belang vonden. Architecten als Van Eijk en Hertzberger werden beschouwd als wereldvreemde, naïeve kunstenaars, ‘slippendragers van het kapitaal’, die slechts gericht waren op de eigen artistieke ontwikkeling. In onze ogen moest een architect ook bouwen voor het gewone volk en daarin zijn verantwoordelijkheid nemen. Dit leidde tot hoogoplopende conflicten.”

Rijke tijd

De revolutie op Bouwkunde had ook positieve kanten. Er kwam een afdeling Volkshuisvesting. Samen met burgers werden er plannen gemaakt voor stadsvernieuwing. “Uiteindelijk is het ook een waanzinnig rijke tijd geweest”, meent Patijn. “We wilden alles kunnen begrijpen, alles uitzoeken. Sociologie en cultuurfilosofie kwamen in de belangstelling, we lazen en bestudeerden alles wat los en vast zat. We waren er echt van overtuigd dat we de wereld konden veranderen.” Dat dit uiteindelijk niet is gelukt is vooral pijnlijk voor het eerste echelon actievoerders, van wie sommigen zo op gingen in de marxistische leer dat ze besloten hun studie te beëindigen en in de fabrieken te gaan werken. “Zij dachten werkelijk dat de studentenopstand zich zou uitbreiden naar de hele samenleving. Dat is niet gebeurd. Veel mensen van het eerste uur zijn hierdoor gedesillusioneerd geraakt.” Patijn heeft hun dwepen met het communisme nooit begrepen. “Ik vond het een beetje eng dat jong volwassenen puur vanuit een theorie gingen handelen. Ik vond het ook heel vreemd dat iets dat als een bevrijding begon, langzaam veranderde in weer een nieuw keurslijf.”

Angst om te behagen

Maar ook de jonge Patijn voelde het idealisme om dingen te veranderen en aan de knoppen te zitten. Hij hield zich de eerste helft van de jaren zeventig meer bezig met politiek-bestuurlijke processen dan met zijn studie. In 1976 studeerde hij uiteindelijk af op variatiebouw, de bloemkoolwijken à la Tanthof, waar je vanwege het organische patroon van kronkelende straten en woonerven steevast verdwaalt. Na zijn afstuderen ging hij aan de slag bij de gemeente Rotterdam,  waar hij zijn maatschappelijke motivatie kon botvieren op de stadsvernieuwing, die in de havenstad van de grond begon te komen. “Architectuur was in die tijd nog steeds not done. Het ging om de processen. Schoonheid was gevaarlijk en er was angst om het oog te behagen.” Vrij snel werd hij architect bij de Gemeente Rotterdam en werd architectuur voor hem weer een belangrijk thema. Later in zijn carrière is Patijn de traditionele architectuur gaan waarderen. Zelfs de architectuur van de omstreden vooroorlogse hoogleraar en architect Granpré Molière kreeg in zijn ogen eerherstel.

Spelers in een spel

Toen Patijn in 2006 als decaan terugkeerde op Bouwkunde, merkte hij dat de fel bevochten democratische bestuursvorm van de jaren zestig was verworden tot een overlegcultus waarin de zeggenschap van het middenkader veel te groot was geworden. “Met behoudzucht en middelmatigheid als resultaat.” Het ontwerpen had gelukkig wel weer een plek gekregen in de opleiding, maar opnieuw was er te weinig aandacht voor culturele en maatschappelijke ontwikkelingen. “Wel zie je bij de huidige studenten een toenemende belangstelling voor natuur, milieu en duurzaamheid.  Vlak voordat het bouwkundegebouw door brand werd verwoest deden studenten onderzoek naar zwervende bewoners in drie grote buitenlandse steden. De bedoeling was het leven en wonen van deze bewoners te bestuderen en in beeld te brengen. Als opmaat daar naartoe hadden de studenten besloten om eerst maar eens zelf in een tentje te slapen, dus sloegen ze hun tenten op bij Bouwkunde. Ik heb daar veel plezier om gehad. Het is in zekere zin toch een verlengstuk van datgene waar wij in de jaren zestig voor gevochten hebben: meer betrokkenheid bij de maatschappij. Alleen krijgt het nu een andere invulling.” Rest natuurlijk de vraag: is de revolte van de jaren zestig ergens goed voor geweest? “Macht is niet meer automatisch aan posities gebonden, maar moet zich bewijzen”, meent Patijn. “Nu worden fraude en wangedrag openlijk aan de kaak gesteld. Dat is ondenkbaar zonder de omwentelingen van de jaren zestig. Ik ben wel anders tegen de studentenopstand aan gaan kijken. We hadden de illusie dat we zelf de veroorzakers waren van grote veranderingen, maar we waren in dat tijdsgewricht slechts deel van een bredere culturele omwenteling. Wij waren als studenten slechts spelers in dat spel.”


Eerder verschenen in Delf

E-King

Ook zo genoten van de kroningsdag? Of heeft u zich geërgerd aan de miljoenen euro’s die zijn besteed aan dit feestje? Hadden Beatrix en PWA niet gewoon in een vergaderzaal in een Van der Valkhotel hun handtekening kunnen zetten? Moest dat nou, een kerk vol internationale gasten die werden ingevlogen en die allemaal moesten meeëten? En als er dan toch geen sprake is van een officiële kroning, zoals in Engeland, had PWA dan in dat zaaltje bij Van der Valk niet met de hand op zijn hart kunnen beloven dat-ie zijn best zou doen? Nee, dat kan dus allemaal niet. Protocollen, rituelen, ceremonies, ereversierselen, ze zijn nodig om te laten zien dat het Koningshuis van een andere orde is dan een doorsnee Nederlandse familie, al doen ze nog zo hun best om ‘normaal’ te zijn. Pracht is al eeuwen een geëigend middel om macht uit te stralen en in stand te houden. Wie bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw indruk wilde maken, liet zich door een gerenommeerde kunstenaar portretteren, liefst omringd door statussymbolen. Maar in onze eeuw zijn statussymbolen aan inflatie onderhevig. Als een Elfstedenkruisje - alle respect hoor, daar niet van - naast een Koninklijke of militaire onderscheiding op je revers mag prijken, raak ik in verwarring. Geldt de Nijmeegse vierdaagse dan ook? Of het speldje dat ik kreeg na voltooiing van de Duinenmars? Misschien wordt het tijd om nieuwe statussymbolen te benoemen. Hoe willen wij dat komende generaties ons zien? Een kroon en scepter maken nauwelijks meer indruk. Toen ik een foto in de krant zag van de nieuwe koning in zijn werkkamer, mobiele telefoon en iPad nonchalant binnen handbereik, wist ik het ineens. De iPad en de iPhone zijn de statussymbolen van deze tijd. Wie ze heeft èn gebruikt,  telt mee en kan macht uitoefenen. Heus, met een tweet van 140 tekens kun je iemand maken en breken. Wie ze niet heeft, maakt op een bepaalde manier óók een statement, maar plaatst zich wel buitenspel in onze multimediale interactieve samenleving. Met deze foto maakt de koning op symbolische wijze duidelijk dat hij iemand is van deze tijd. Iemand die mailt, twittert, whatsappt en skypt. We hebben een e-King. Lang leve de koning!

Eerder verschenen in Delf, voorjaar 2013

Hoop

Opstand en verzet zijn grote woorden. Je gedachten blijven automatisch steken bij de Tweede Wereldoorlog, terwijl er door de eeuwen heen voortdurend groot en klein verzet is geboden tegen maatschappelijke of politieke ontwikkelingen. Soms volstaat het om de stad vol te hangen met NEE-posters. In andere gevallen wordt er letterlijk gevochten of wordt er lijdzaam verzet geboden. Voor het plegen van verzet moet je lef hebben en vooral veel geduld. Maar weinig opstanden leiden à la minute tot succes. Neem de rassensegregatie in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Hoe lang heeft die wel niet bestaan? Dichter bij huis, neem de vrouwenemancipatie. Die begon met Aletta Jacobs (1854-1929), maar het duurde tot ver na de Tweede Wereldoorlog voordat vrouwen min of meer gelijke rechten kregen. En nog steeds laat de emancipatie hier en daar te wensen over. Inmiddels heeft de SGP in Vlissingen een vrouwelijke lijsttrekker. Da’s mooi. Overigens ging dat niet helemaal van harte. Vijf mannen die eerder waren benaderd zeiden nee. Dan maar in hemelsnaam een vrouw. Maar, niet zeuren, het is een begin. Ik moet ook denken aan Hans Paul Verhoef, die in 1989 op een Amerikaans vliegveld gearresteerd. De Delftenaar mocht het land niet in omdat hij aids had. Hij spande een rechtszaak aan en het onderwerp kreeg internationale aandacht, maar het duurde nog tot 2010 voordat de VS het gewraakte inreisbeleid wijzigde. Toen de gemeente Delft een homo-emancipatieprijs instelde, werd deze naar Hans Paul Verhoef genoemd. Dat de prijs sinds 2001 niet meer is uitgereikt, wil overigens niet zeggen dat de homo-emancipatie in Delft is voltooid. Op de website 50jaar.amnesty.nl staan 25 momenten van hoop. Historische momenten waarop opstand en verzet tot een doorbraak lijken te leiden. Van Martin Luther King en de Praagse Lente tot de val van Saddam Hoessein. Hoop doet leven. Alleen jammer dat deze momenten van hoop ook erg veel slachtoffers vergen. En niet zelden wordt de hoop net zo eenvoudig weer de grond in geslagen en verandert er helemaal niets. Gelukkig zijn er altijd mensen die zich daar niet door laten weerhouden, die onverstoorbaar tegen de stroom in blijven zwemmen. Hun tijd komt. Ooit. Althans, dat hoop ik van harte. 

Eerder verschenen in Delf, 2013

Deltenaren On Tour



In de Delf werd in het artikel over Pierre van Hauwe heel even over de Volkszangdagen gesproken. Generaties Delftenaren bewaren mooie herinneringen aan de massale bijeenkomsten op de Markt, waarbij duizenden kinderen liedjes zongen waarvan ik nu met terugwerkende kracht denk: wat een zware teksten eigenlijk. Goude zonne, jij met je daav’rende, stralende kracht; hoog aan de hemel, schijn je in glansrijke pracht. Dreigen duist’re wolken, toch blijf je trouw aan je lichtende plicht, hoog boven leed en vreugde, schijn jij en geef jij ons licht. Als tweestemmige canon klonk het prachtig, maar het is niet bepaald het repertoire van Kinderen voor Kinderen. Ik durf te wedden dat kinderen die nu op de basisschool zitten, deze liedjes ook niet meer leren. Ik had graag zelf aan die Volkszangdagen meegedaan, maar toen ik eindelijk aan de beurt was, begin jaren zeventig, was het fenomeen afgeschaft. Tot mijn grote verdriet, mag ik wel zeggen. Ik had me er jarenlang op verheugd en geoefend op het tjing boem, tjing boem, tjing boem tralalala…! Vaste prik tijdens de Volkszangdagen was ook het wonderschone lied Klokke Roeland. Het is het officiële lied van de stad Gent, geschreven in 1877. De openingszin, Boven Gent rijst is bij vrijwel iedere Vlaming bekend. Dat heel veel Delftenaren dat lied ook uit het hoofd kennen en probleemloos kunnen produceren - en het ook jarenlang hèbben geproduceerd - is voor onze zuiderburen onbegrijpelijk. Toen een vriend van me ooit de Gentse Feesten bezocht, een meerdaags festival dat elk jaar in de stad wordt gehouden, en uitlegde waarom Delft iets heeft met dit lied, ontstond een leuk idee, dat jammer genoeg nooit is uitgevoerd. Zou het niet geweldig zijn als al die Delftenaren Klokke Roeland zouden komen zingen in Gent? Pakken we Toen Hertog Jan kwam varen meteen ook mee. Dit Brabantse volksliedje - ach Brabant is tenslotte bijna België - is ook in Vlaanderen bekend. En wat te denken van het Wilhelmus? Naar algemeen wordt aangenomen, geschreven door Filips van Marnix van Aldegonde, geboren in België? Dat weten de Gentenaren vast ook te waarderen. Kortom, ik pleit voor een Delftse Volkszangdag on tour. Ik ga het niet regelen, maar als-ie er komt, ben ik zeker van de partij! 

Eerder verschenen in Delf, 2013

Bij ons aan de Chopinlaan: Een buurt vol beloftes

Door mijn werk kom ik op plaatsen waar de meeste mensen niet komen. Dat beschouw ik als een groot voorrecht. Het afgelopen jaar had ik bijzondere ontmoetingen met doodgewone mensen in de Gillisbuurt. Ik kende de buurt alleen van naam. Ik had er geen kennissen en er zijn geen voorzieningen die me uitnodigen om mijn veilige, vertrouwde omgeving te verlaten. Waren die er maar, dan zou iedereen met eigen ogen kunnen zien dat het negatieve imago van ‘Gillis’ niet klopt met de werkelijkheid. Het is wèl een fascinerende wijk. Als blanke vrouw heb je het gevoel dat je een vreemde, onbekende wereld binnentreedt. Maar ik werd er gastvrij ontvangen. Inmiddels ben ik er uitgenodigd voor Oud en Nieuw, een barbecue en een Iraanse maaltijd. Ik voel me vereerd dat al deze mensen mij een kijkje in hun leven boden. Wat ik hoorde en zag heeft me verbaasd en soms ook ontroerd. Hoe lukt het om met zoveel verschillende culturen samen te leven op een paar vierkante kilometer? Hoe houdt je de moed erin bij tegenslagen? Hoe bouw je een bestaan op als je de taal onvoldoende beheerst of door je persoonlijke achtergrond niet de energie hebt om een goede invulling te geven aan je bestaan? Ik ben onder de indruk geraakt van de veerkracht van de bewoners, die soms maar een heel klein zetje nodig hebben om met meer zelfvertrouwen de sprong naar zelfstandigheid te maken. Ik bewonder de kinderen, die met een blije en onbevangen blik naar de toekomst kijken. En ik doe een schietgebedje dat ze de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen en uit te groeien tot krachtige mensen, die een waardevolle rol kunnen spelen in onze samenleving. Wie weet woont hier in ‘Gillis’ de nieuwe Barack Obama of Oprah Winfrey. Geloof me, de Gillisbuurt is geen achterstandsbuurt. Het is een buurt vol beloftes. 

Bij ons aan de Chopinlaan: Broers

De man trekt zijn muts over zijn hoofd en knoopt zijn warme jas dicht. Je zou denken dat hij na dertig jaar wel gewend zou zijn aan de Nederlandse herfst en winter, maar telkens laat hij zich verrassen door de invallende kou. Straks, in Suriname, zal hij er geen last meer van hebben. Hij gaat terug, heeft hij gezegd. Terug naar zijn wortels. ‘Ik heb mijn bijdrage aan de maatschappij geleverd. Ik ga nu lekker genieten.’ Hij is over de zestig. Vorig jaar raakte hij zijn baan kwijt en hij kwam niet meer aan de slag. Hij moest erg wennen aan de nieuwe situatie. Hij had zijn hele leven gewerkt. Thuis kwamen de muren op hem af. Vrijwilligerswerk werd zijn redding. Zes maanden lang werkte hij met veel plezier als parkeerwacht bij het Reinier de Graaf Gasthuis en hij maakt deel uit van het buurtteam in de Gillisbuurt. Dit team van vrijwilligers spreekt buurtbewoners aan op hun gedrag, organiseert schoonmaakacties en neemt contact op met de gemeente als er zaken geregeld moeten worden. ‘Met onze persoonlijke aanpak proberen we de mentaliteit van de mensen te veranderen.’ Dat lukt, al gaat er veel tijd overheen. Het is een kwestie van geduld en tolerantie. Vanwege de vele culturele achtergronden verloopt de communicatie met buurtbewoners nu eenmaal moeizaam. Zelfs binnen het buurtteam ontstaan soms misverstanden omdat iemand per ongeluk wel eens iets anders zegt dan hij bedoelt. Maar het komt ook voor dat iemand door zijn culturele achtergrond een heel andere kijk op de dingen heeft. ‘Daar moet je niet boos over worden. Daar kun je juist van leren.’ De negen leden van het buurtteam kunnen prima met elkaar opschieten. Het is een bont gezelschap van Nederlanders,  Surinamers, Turken, Marokkanen en Somaliërs. Ondanks de cultuurverschillen en taalbarrières is de onderlinge band hecht. ‘We gaan als broers met elkaar om.’ Hij zal ze missen, straks in Nieuw-Amsterdam. 

Bij ons aan de Chopinlaan: In hetzelfde schuitje

‘No man is an island’, schreef John Donne. Ik moet aan de 17de-eeuwse dichter denken als ik afscheid neem van een Somalische vrouw die inspirerend kan vertellen over haar leven in de Gillisbuurt. Niemand is een eiland. We maken allemaal deel uit van een groter geheel. Ze was twintig toen ze verhuisde naar Nederland. Ze was nog jong en flexibel, nam enthousiast taallessen en omarmde haar nieuwe vaderland. Ze werkt op basisschool De Horizon, waar ze ooit als vrijwilliger begon. ‘Ik wilde niet thuis zitten. Ik wilde iets doen, maar ik wist niet waar te beginnen. Ik kende geen kip. Gelukkig had ik een leuke klik met de juf van mijn zoon. Zij betrok me bij allerlei activiteiten. Als je één persoon kent, komt de rest vanzelf.’ Werken bij de Horizon hielp haar met inburgeren. Ze leerde de taal en sloot vriendschap met andere moeders. ‘We zijn een soort familie van elkaar geworden. Er is veel eenzaamheid onder allochtonen. Veel mensen hebben hun familie en vrienden achtergelaten in hun vaderland. Ze moeten hier helemaal opnieuw beginnen: werk vinden, de taal leren, vrienden maken. Juist dan heb je elkaar hard nodig. We helpen elkaar om samen een nieuw leven op te bouwen.’ Dan moet de ander die hulp natuurlijk wèl toelaten. ‘Sommige mensen zijn te trots om hulp te vragen, of ze hebben er de energie niet voor.  Maar we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We kunnen elkaar op allerlei manieren helpen. De één is misschien wat mondiger of weet al wat beter de weg naar nuttige instanties. Ik neem graag mensen mee naar buurtactiviteiten. Die zijn heel erg belangrijk. Je ontmoet er nieuwe mensen, je leert er dingen te ondernemen. Natuurlijk is dat in het begin hartstikke eng. Daar is lef voor nodig. Dat heeft niet iedereen. Daarom is het zo belangrijk om lotgenoten om je heen te hebben.’


Bij ons aan de Chopinlaan: 'Zusterwijk Gillis'

Hij is er niet opgegroeid, maar kent de buurt van vroeger, toen hij er regelmatig kwam voetballen. ‘Gillis’ won altijd. Waren ze gewoon beter? Konden zij vaker oefenen op één van de vele trapveldjes in de buurt? Hij weet één ding zeker: als er een voetbaltoernooi zou worden georganiseerd tussen de verschillende Delftse buurten en wijken, dan werd ‘Gillis’ kampioen. Sinds kort is hij er weer terug. Als vrijwilliger bij helpt hij bij de organisatie van allerlei Kan Wel!-projecten voor de jeugd. Hij was nieuwsgierig geworden naar de buurt, geprikkeld door berichtgeving in de media en het gemak waarmee mensen zich op verjaardagsfeestjes een oordeel aanmeten over een stukje Delft waar ze zelf nog nooit zijn geweest. Hij wilde met eigen ogen zien wat er in de buurt aan de hand is, praatte met mensen, verdiepte zich in hun achtergrond. Hij ziet hun problemen, maar ook de kansen en de successen die zijn geboekt. Het is te makkelijk om de problemen van de Chopinlaan op te hangen aan het feit dat er veel minderheden wonen, vindt hij. In blanke buurten gaan of gingen er ook dingen mis. Hoe was het twintig jaar geleden in de Wippolder, in Betondorp in Amsterdam of in de Haagse Schilderswijk? De Gillisbuurt is een wereld op zich, dat zeker. Een buurt waar bewoners zich meer één voelen dan in menig andere Delftse wijk. Zo’n sterk wij-gevoel kan mensen ook afschrikken. De Gillisbuurt is een enclave met een onzichtbare muur eromheen. Mensen uit ‘Gillis’ zouden hun buurt wat vaker moeten verlaten en andere Delftenaren zouden er eens heen moeten gaan. Dit kan een einde maken aan veel misverstanden, onbegrip en misplaatste arrogantie. Ik stel voor dat we alle internationale stedenbanden opdoeken en al onze energie steken in uitwisselingen met ‘zusterwijken’ dicht bij huis. Ook daar kun je werken aan vriendschap, integratie en wederzijds begrip tussen verschillende culturen.


Bij ons aan de Chopinlaan: Heimwee

Ze is graag buiten. Dus zit ze vaak op haar balkon, met een sigaartje. Soms roept ze iets naar beneden, naar de jongeren die zich op het plein ophouden. Ze roept ze tot de orde of maakt juist grapjes. Ze weet: humor breekt altijd het ijs. De meeste jongeren kent ze bij naam. En zij haar. Ze is één van de waardevolle buurtbewoners op wie Woonbron altijd een beroep kan doen als er iets moet worden georganiseerd in de wijk. Zelf heeft de Surinaamse er ook geen moeite mee om iemand om hulp te vragen. Als de computer kuren heeft, schakelt ze de bovenbuurman in; als er zware meubelen moeten worden verschoven, klopt ze bij iemand anders aan. En iedereen staat altijd klaar. Omdat ze het vriendelijk en respectvol vraagt. Zij vindt dat de normaalste zaak van de wereld: ‘Je moet uiteindelijk allemaal door één deur, dus je kunt maar beter zorgen dat je het gezellig hebt met elkaar.’ Ze woont al 33 jaar aan de Chopinlaan. Ze dacht er de rest van haar leven door te brengen, maar ze gaat nu toch weg. Terug naar haar geboorteland. Vroeger ging ze er elk jaar drie maanden naartoe, in de winter. Tegenwoordig is het wettelijk toegestaan om maximaal vier weken daar te zijn. Dat vindt ze te kort. Zeker nu ze wat ouder wordt. De Nederlandse winters deprimeren haar. De kou kruipt in haar botten en ze vreest de eenzaamheid van de oude dag. Heimwee drijft naar terug naar Suriname, waar ze familie en vrienden heeft die haar nodig hebben. Zonnig Suriname, waar de mensen vrolijk zijn en je met slechts een aow-uitkering op een aangename manier oud kunt worden. Het is leuk om in een wijk met allerlei culturen te wonen, maar tegen heimwee is geen kruid gewassen. Zelfs na 33 jaar.


vrijdag 26 april 2013

Met Pierre van Hauwe beleefde Delftse muziekonderwijs glorietijd


 

Het culturele leven stond in het na-oorlogse Delft op een laag pitje. Muziekonderwijs was er wel, maar niet voor een breed publiek. De oprichting van de Stedelijke Muziekschool bracht hier verandering in. Delft maakte in de jaren zestig een enorme inhaalslag. Dankzij de bevlogen muziekpedagoog Pierre van Hauwe liep Delft niet meer achter op het gebied van muziekonderwijs, maar werd ze zelfs trendsetter.

In 2014 bestaat de Vrije Akademie, Centrum voor de Kunsten 25 jaar.  Een generatie Delftenaren heeft aan de Westvest 9 haar creativiteit ontdekt of verder ontwikkeld. Dit is ook de plek van waaruit al vele jaren cultuureducatie op de Delftse basisscholen wordt verzorgd. Cultuureducatie bestond al voor de Tweede Wereldoorlog, zij het niet in de uitgebreide vorm zoals we die nu kennen. Muziekonderwijs, meer specifiek zangonderwijs, werd verzorgd door kerkmusici die verbonden waren aan rooms-katholieke of protestantse kerken. In de praktijk kwam het erop neer dat de kinderen tijdens de muzieklessen op school de liederen leerden die ze op zondag werden geacht in de kerk te zingen, zoals psalmen, kerkliederen of  gregoriaanse gezangen. Het muziekonderwijs bestond verder uit muziektheorie. In rooms-katholieke kringen leerden de kinderen het notenschrift aan de hand van de zogenoemde methode Ward, ontwikkeld door de Amerikaanse muziekpedagoge Justine Bayard Ward (1879-1975). Het repertoire bestond uit klassieke liederen, gregoriaanse gezangen en volksliedjes. Ward  gebruikte de zogenoemde solmisatie, waarbij muziektonen  niet worden aangeduid als a, b, c,d,e, f en g, maar als do (of ut), re, mi, fa, so(l), la, ti (si), do, en geschreven werden met de cijfers van 1 tot 7, wat het zingen van bladmuziek zonder tekst aanzienlijk vereenvoudigde. In Nederland was het Willem Gehrels (1985-1971) die in de jaren dertig baanbrekend verrichtte op het gebied van muzikale vorming van kinderen. Zijn methode was een van de eerste complete didactische zangmethodes voor het onderwijs, die uitging van het zingen van volksliederen en die streefde naar een algemene muzikale vorming van het kind. Ook Gehrels solmiseerde op do, re mi, en hij  gebruikte handgebaren voor de verschillende tonen. Gehrels richtte in 1932 in Amsterdam de eerste Volksmuziekschool van Nederland op. Ook Delft kreeg er één. Hier maakten kinderen kennis met wereldse muziek: volksliedjes, volksdansjes, kampliedjes. Het was muziek die sterk werd beïnvloed door de toenmalige socialistische ideeën over volksverheffing.


 
Copyright: Stichting Pierre van Hauwe; Rosemieke van Hauwe.


Pierre van Hauwe
 Begin jaren zestig kwam er een nieuwe muziekmethode bij: Spelen met Muziek, het geesteskind van Pierre van Hauwe (1920-2009). De jonge musicus trad in 1945 in dienst van de Sint-Hippolytuskerk aan de Voorstraat. Van daaruit verzorgde hij muziekonderwijs op R.K. lagere scholen en de huishoudscholen en ulo’s  in de stad. Met leerlingen van de Delftse huishoudschool aan de Voorstraat richtte hij in 1946 het Delfts Madrigaalkoor op, dat internationale grote bekendheid kreeg. Van Hauwe werd in 1960 directeur van de Stedelijke Muziekschool Delft, het product van een fusie tussen de Delftse Volksmuziekschool en de in de jaren vijftig opgerichte Katholieke Muziekschool.  De school, die meteen al 750 leerlingen telde (drie jaar later was dit aantal al gegroeid tot 1200), opende haar deuren aan de Gasthuislaan 206, in de voormalige Prinses Julianaschool. Vijfentwintig vakdocenten helpen mee de achterstand die in Delft op muzikaal terrein heerste, in te lopen.  Omdat het Delftse gemeentebestuur het muziekonderwijs uit ideële overwegingen zwaar subsidieerde, en de tarieven bewust laag werden gehouden, was het muziekonderwijs toegankelijk voor een zeer brede laag van de bevolking.

Muziekles op school

Ook voor muziekonderwijs op school kwam meer aandacht. Het gemeentebestuur besloot in 1962 dat leerlingen van de vijfde en zesde klassen in het lager onderwijs voortaan muziekonderwijs moesten krijgen van vakkrachten. Elke klas kreeg tien lesuren per jaar. Door deze maatregel werd Delft de eerste gemeente in ons land waar muzikale vorming zich uitstrekte tot alle lagere scholen. Docenten van de Stedelijke Muziekschool bezochten, gewapend met bandrecorders en platenspelers en later ook de Orff-instrumenten, de Delftse scholen om op locatie muziekles te geven: muziek luisteren, muziek maken, muziektheorie. Later werd het lesprogramma uitgebreid. Hoogtepunt van het muzikale schooljaar was de befaamde Volkszangdag, waaraan zo´n tweeduizend leerlingen van de hoogste klassen van de lagere school deelnamen. Ze verzamelden zich op de Delftse Markt om met muzikale ondersteuning van het harmonieorkest van de Kabelfabriek, later van de Gist- en Spiritusfabriek (de latere Koninklijke Harmoniekapel Delft),  van tevoren op school ingestudeerde liedjes te zingen. Een soort scratch avant la lettre. Een hele generatie Delftenaren denkt nog wel eens met weemoed terug aan deze avonden waarop liedjes als ‘Gouden Zonne’, ‘Hertog Jan’, of ‘Hoort de muzikanten’ meerstemmig over de oude binnenstad klonken.

Spelen met Muziek
Van Hauwe had heel specifieke ideeën over muziekonderwijs. Hij vond dat de wijze waarop muziekonderwijs werd gegeven niet mocht worden overgelaten aan de kundigheid en willekeur van de docent. Er moest methodisch muziekonderwijs komen, en wel volgens een methode die hij zelf had ontwikkeld: Spelen met Muziek. Van Hauwe had zich hiervoor laten inspireren door de Hongaarse muziekpedagoog Zoltán Kodály en de Duitse musicus Carl Orff. Alle kleuter- en lagere scholen (en later de basisscholen) in Delft gebruikten tot ver in de jaren negentig deze methode in de lessen Algemene Muzikale Vorming (AMV). Na het succesvol doorlopen van de driejarige AMV - een cursus van de muziekschool waarvoor ouders apart moesten betalen - konden leerlingen doorstromen naar de muziekschool, waar ze een instrument leerden bespelen. Van Hauwe’s methode was baanbrekend. Veel Nederlandse gemeenten volgden het Delftse voorbeeld en ook het buitenland bleek zeer geïnteresseerd. Om te laten zien en horen wat er met zijn methode kon worden bereikt, maakte Van Hauwe regelmatig internationale concertreizen met zijn muziekschoolorkesten. Pedagogisch uitgangspunt in deze orkesten was dat iedere muziekschoolleerling vanaf AMV-leeftijd tot jong volwassene op ieder niveau van muzikale ontwikkeling een plaats kon krijgen in een muziekschoolorkest dat voor een groot deel bestond uit typische Orff-instrumenten (klokkenspel, xylofoon, pauken, trommels, en andere percussie-instrumenten). Strijkers en blazers kregen orkestpartijen op hun eigen niveau.  Een groot blokfluitkoor in 4- of 5-stemmige zetting was een vaste kern in deze orkesten.

Vrije Akademie

De Stedelijke Muziekschool groeide door en werd uitgebreid met andere disciplines, zoals dans en handvaardigheid. Door fusies met de Hazelhorstschool voor handenarbeid en vrije expressie en de stedelijke balletschool werd het als Kreativiteitscentrum, later Vrije Akademie, Centrum voor de Kunsten (VAK), mogelijk een breed pallet aan creativiteitscursussen aan te bieden voor kinderen en volwassenen. Dat gebeurde aanvankelijk vanuit het voormalige Zusterhuis aan de Koornmarkt, met dependances op verschillende locaties in de stad. In 1989 verhuisde de VAK naar de Westvest 9. Daar werden alle disciplines gebundeld en werd er een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de geschiedenis van de cultuureducatie in Delft.

Dit artikel is eerder verschenen in Delf, een uitgave van Erfgoed Delft e.o.

zie ook www.pierrevanhauwe.org


 

Bij ons aan de Chopinlaan: Niet klein te krijgen


Onverwachte tegenslagen en verkeerde inschattingen kunnen een mens lelijk in de problemen brengen.  Soms moet je leren ‘help’ te roepen als dingen dreigen mis te gaan.

Ze was 24 jaar toen ze van Den Haag verhuisde naar Delft. Dolblij met haar ruime woning aan de Chopinlaan. Eindelijk wat meer woon- en leefruimte voor zichzelf en haar twee kleine kinderen. Maar ze kon haar draai niet vinden. Ze kende er niemand. Ze had geen werk. De problemen stapelden zich op. Ze maakte schulden. Ze werd een vaste klant bij de voedselbank. Ze dreigde haar woning kwijt te raken. Achteraf was dat een zegen, want zo kwam ze bij de Financiële Winkel van de gemeente Delft terecht. Het werd een keerpunt in haar leven. Deze vrouw was niet gewend mensen lastig te vallen met persoonlijke problemen. Die hield je voor je, of loste je zelf op. Dat er instanties zijn die je belangeloos helpen, daarvan had ze geen idee. Ze had het veel te druk met overleven. Het gaat nu weer goed met de Surinaamse. De schulden zijn afbetaald. Via het Werkplein heeft ze werk gevonden in de thuiszorg. Ze is bezig met het opzetten van een gastouderproject. Woonbron helpt haar de flat op te fleuren. Ze heeft haar schroom overwonnen en stapt tegenwoordig overal op af. ‘Ik heb gemerkt dat het helemaal niet erg is om mensen om hulp te vragen. En ik ben ook niet meer bang om bij de gemeente aan te kloppen.’ Ze gaat ook niet langer anoniem door het leven. Ze heeft een leuk contact met andere ouders die ze ontmoet op het schoolplein van De Horizon en ze is vrijwilliger bij de Playground. ‘Als ik nu over straat loop, zeggen veel mensen hoi tegen me. Ik voel me hier nu thuis.’ Haar ogen stralen. Hier staat een mooie, sterke vrouw. Die krijg je niet meer klein.
Trudy van der Wees

Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Een veilige buurt


 Voor vluchtelingen is de Chopinlaan thuis in den vreemde. Velen moesten hun land ontvluchten omdat ze zich bedreigd voelden. Hier zijn ze veel veiliger. Maar niet iedereen heeft dat door.
Een galerij vol fietsen, brommers, scooters, kinder- en winkelwagens. Het is een rotgezicht en ze versperren de doorgang. Gevaarlijk! De complexbeheerders wijzen bewoners hier voortdurend op, maar sommige mensen zijn hardleers. Neem nou die Irakees, die maar liefst drie fietsen voor zijn deur had staan. Hij was er niet toe te bewegen om ze op te bergen in de kelder. Ineens kreeg de complexbeheerder een lumineus idee. Hij legde de man uit wat er zou gebeuren als er brand uitbrak. Wat als de brandweer niet op tijd bij zijn woning kon komen, waar zijn kind lag te slapen? ‘Dan is het de schuld van de hulpverlener’, antwoordde de Irakees. ‘Nee, dan is het jouw schuld. Jij hebt die fietsen niet weggehaald.’ Eindelijk begon het bij de man te dagen: hij was verantwoordelijk voor zijn eigen veiligheid. Maar opbergen in de kelder, nee, dat zou helaas niet gaan. Hij liet zien wat er allemaal in stond: enorme hoeveelheden mondvoorraad en schoonmaakmiddelen, genoeg om het maanden mee uit te houden. Wat bleek? Meneer had de eerste en tweede golfoorlog meegemaakt. Hij was niet anders gewend dan te leven in een oorlogssituatie. Je moest altijd op het ergste voorbereid zijn. De man is weliswaar gevlucht naar een veilig land, maar - om Marco Borsato te citeren - de oorlog is nog niet uit zijn hoofd. Mag deze getraumatiseerde man zijn fietsen dan wel op de galerij zetten? Zeker niet, maar als je zijn achtergrond kent kun je hem misschien helpen. Je kunt meer begrip voor hem opbrengen en hem proberen ervan te overtuigen dat hamsteren niet nodig is. Dit is Delft. De Lidl is om de hoek. De schappen zijn altijd vol.

Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft.

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Winterslaap


Een paar weken geleden leek het even voorjaar: overal krokussen en narcissen, fluitende vogeltjes en vooral een heerlijk zonnetje dat de natuur weer tot leven brengt. Maar niet alleen de natuur…
Ik was thuis, en ik hoorde een irritant geluid dat ik niet kon lokaliseren. Het was niet mijn mobiele telefoon, geen wekker of andere elektronica. Geen inbraakalarm. Ik werd er gek van. Ten einde raad belde ik de complexbeheerder van Woonbron. Hij kwam langs en spitste de oren. Gelukkig hoorde hij het ook, ik was even bang dat ik het me verbeeldde. Hij doorzocht het hele huis. Hij ging bij de buren langs. Zelfs bij de boven- en benedenburen. Merkwaardig, daar had niemand het geluid gehoord. Daar kwam het geluid dus zeker niet vandaan. Toen ineens was het geluid verdwenen. Doodse stilte. De complexbeheerder kon verder weinig doen en vertrok. “Als u het weer hoort, moet u maar weer bellen”, zei hij voor hij de deur achter zich dicht trok. ’s Nachts bleef het stil. Maar de volgende dag begon het weer. Ik hing meteen aan de telefoon. “Dat geluid, het is er weer.” Dit keer kwam de complexbeheerder niet alleen, hij had zijn collega van sociaal beheer bij zich.  Weer doorzochten ze de woning. Niets. Toevallig viel hun oog op een pop in de vensterbank. “Wat een leuke beer”, zei de sociaal beheerder, en tilde de Winnie de Pooh van mijn zoontje op. Stilte. “Horen jullie het ook? Het geluid is weg.” Ze zette de pop weer terug in de vensterbank, die baadde in zonlicht. En ja hoor, daar wàs de piep weer. Het blijkt dat Winnie de Pooh is voorzien van een zonne-energie cel. Als deze oplaadt, gaat Winnie’s kop op en neer en gaat hij piepen. De lentezon had Winnie uit zijn winterslaap ontwaakt. Misschien moeten we Winnie opereren. Maar voorlopig woont hij ergens in de schaduw. En zwijgt.

Trudy van der Wees

Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Carrièreswitch


Iedere jongen wil profvoetballer worden. Heel af en toe komt die droom uit. Zoals bij de jongeman die tegenover me zit. Sportief gekleed, een atletisch lichaam, een vriendelijke glimlach. Maar ik ontmoet hem niet in de kantine van ADO Den Haag. We zitten in de bibliotheek van basisschool De Horizon, en straks gaat hij weer aan het werk op de Playground. Een verkeerde beweging op het voetbalveld maakte een einde aan zijn carrière als profvoetballer. Gescheurde kruisbanden. Heracles Almelo had onvoldoende vertrouwen in zijn herstel. En zo keerde hij, een illusie armer, weer terug naar de Gillisbuurt, waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Geen werk, geen diploma, geen toekomst, en misschien nog wel het ergste van alles: geen hoop. De Schoolmate op De Horizon zag het met lede ogen aan en kreeg een idee. Hij was toch zo sportief? Bij de Playground waren activiteitenbegeleiders nodig. Was dat iets voor hem? Vrijwilligerswerk, dat wel. Maar, als het goed ging, en als hij voldoende uren zou maken, kwam hij in aanmerking voor een studiebeurs van de Richard Krajicek Foundation (RKF). Hij hapte toe. Drie keer per week was hij op de Playgrond te vinden. Hij kreeg kids die anders maar op straat rondhingen aan het sporten, en ze ontdekten hoe leuk dat is. Zijn enthousiasme groeide met de dag. Het leven kreeg waarempel weer zin. Nu doet de oud-profvoetballer met een beurs van de RKF een opleiding voor beveiliger. Hij studeert bovendien voor sportleider en hij is bezig om zijn diploma pupillentrainer te halen bij de KNVB. Zijn toekomst ligt weer in de sportwereld. ‘Je moet de kansen grijpen die je worden toegeworpen. Er lopen veel jongeren met hun ziel onder hun arm. Ik hoop dat ik hen kan motiveren om door te gaan, niet op te geven.’ Ongelooflijk wat één ontmoeting voor verschil kan maken. Geef mij ook zo’n Schoolmate!
Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in  Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Welkom Buren!


 
Verhuizen is spannend. Tussen welke mensen kom je te wonen? En hoe leg je op een ontspannen manier contact met je nieuwe buren?                      
In Nederland is het de gewoonte dat nieuwe buren zich komen voorstellen. Daarna ga je eens bij elkaar op de koffie en voor je het weet geef je elkaars plantjes water tijdens vakanties. Elk land heeft zo zijn eigen tradities op dit gebied. De Nederlander verwacht dat de nieuwe buren aanbellen, in Turkije  is het gebruikelijk dat de nieuwe bewoners hartelijk worden ontvangen. Buren bieden hun hulp aan, brengen iets te eten of drinken. Als dat niet gebeurt, is dat pijnlijk. De nieuwkomer voelt zich dan niet geaccepteerd. Tja, je moet het maar weten. Toen een Turks gezin in de Gillisbuurt kwam wonen, stonden er geen buren klaar om hen welkom te heten. Ze voelden zich overduidelijk niet welkom en klaagden erover bij de complexbeheerder. Die kende echter ook de andere kant van het verhaal. De Nederlandse buren óók boos. Waarom waren de nieuwkomers zich niet komen voorstellen? Ook zij voelden zich niet prettig met deze anonimiteit en hadden hierover hun beklag gedaan bij de complexbeheerder. Die stelde voor dat zij alsnog het initiatief zouden nemen. Geen sprake van: het initiatief moest komen van de nieuwkomers. De Turkse buren waren evenmin bereid hun trots in te slikken. Zo had de irritatie nog lang kunnen duren. Op zulke momenten begin je te begrijpen waarom aan sommige conflicten in de wereld nooit een einde komt. De complexbeheerder gaf niet op en bleef met beiden in gesprek. Uiteindelijk heeft de Nederlandse familie de eerste stap gezet en aangebeld bij de buren. Ze legden uit dat er sprake was van een misverstand. Het ijs was gebroken. Ze mochten meteen aanschuiven voor een Turkse maaltijd. Sindsdien leven de buren vredig samen. Volgende keer een lekkere Hollandse stamppot na een slopende verhuisdag?

Trudy van der Wees

Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft





woensdag 20 juni 2012

Kees Chardon en de Joodse kinderen

In het voorjaar van 2005 kwam er op de redactie van de Delftsche Courant een telefoontje binnen. Een oudere dame wilde een berichtje plaatsen, een oproep. In eerste instantie wilde ik haar doorverwijzen naar de advertentie-afdeling, maar ik vroeg voor alle zekerheid nog even door. De dame in kwestie was Margreet de Bruijn-Chardon, de enige nog levende zus van de Delftse verzetstrijder Kees Chardon. Naarmate ze ouder werd, vertelde ze me, begon ze zich af te vragen wat er toch was gebeurd met al die Joodse kinderen die in hun huis aan de Spoorsingel waren geweest. Soms maar één nachtje. Hadden ze de oorlog overleefd, waren de inspanningen van haar broer, die hij met de dood had moeten bekopen, niet voor niets geweest? Of ik een oproep kon plaatsen waarin ik mensen uitnodigde zich te melden.

Ik rook een prachtig verhaal, en wist Margreet ervan te overtuigen dat een oproepje niet voldoende zou zijn. Er moest een interview komen! Margreet stribbelde tegen, maar stemde uiteindelijk in. Daags voor het interview belde ze op om af te zeggen. Ze had niets te melden, ze wilde niet te veel aandacht en ze zag op tegen de emoties die ongetwijfeld zouden loskomen. Het lukte me om Margreet op andere gedachten te brengen. Gelukkig maar. Na publicatie van het artikel kwamen er telefoontjes binnen. Van mensen die zich enkele van de kinderen herinnerden, van mensen die me verder op weg konden helpen bij het vinden van deze mensen of wisten te vertellen dat ze waren overleden of gemigreerd naar de Verenigde Staten of Israel. In die dagen gaven mijn collega's mij de bijnaam 'Redactie Spoorloos'. Op een dag meldde Maria Brix zich hoogstpersoonlijk. Ze introduceerde zich met: ‘Ik ben het meisje met het klompvoetje’.  Later wist ik dankzij Marianka van Lunteren-Spanjaard, die veel over de Joodse gemeente in Delft heeft geschreven, Rob Hompes te traceren. Zowel Maria als Rob wilden graag in contact komen met Margreet Chardon. En zo vond in de zomer van 2005, zestig jaar na de dood van Kees Chardon, bij Marianka van Lunteren-Spanjaard een zeer bijzondere en emotionele ontmoeting plaats.

In de jaren daarna bleef het verhaal van de Joodse kinderen me fascineren. Hoe was het deze mensen in hun verdere leven vergaan? Wat voor invloed heeft de onderduikperiode gehad op hun verdere leven en hun identiteit? Ik besloot Maria Brix en Rob Hompes op te zoeken en heb hen gevraagd me hun levensverhaal te vertellen. Dit heeft geresulteerd in twee verhalen op deze blog. Het derde verhaal gaat over Judi Levit-Klok, een nichtje van Maria Brix, Haar ouders overleefden weliswaar de oorlog, toch voelt Judi zich ‘slachtoffer’.

Plaquette
Terwijl ik bezig was de oral history van Maria, Rob en Judi op te tekenen, gebeurde er nog iets anders opmerkelijks. De huidige bewoner van Spoorsingel 28, Chris Vervoort, zocht contact met me. Hij was onder de indruk van het verhaal achter zijn woning  en had de artikelen gelezen over de Joodse kinderen. Hij vond dat er een plaquette moest komen op de gevel van het huis. Die is er dankzij hem gekomen. Een prachtige plaquette van de hand van de Delftse Loes Kouwenhoven. Op 10 juli 2011 werd de gedenkplaat onthuld door Margreet de Bruijn-Chardon en de Delftse wethouder van cultuur Milène Junius. Onder de aanwezigen waren ook Maria Brix en Rob Hompes. Rob had bloemen meegenomen, en hield een korte toespraak. Ook waren er oude verzetskameraden en studievrienden die herinneringen ophaalden en eer bewezen aan hun op 20 april 1945 in concentratiekamp Wöbelin omgekomen kameraad.






En zo kwam er een bijzonder einde aan een heel bijzonder journalistiek project, toevalligerwijs ook één van de laatste grote verhalen die ik voor de Haagsche/Delftsche Courant schreef. Kort daarna heb ik de krant verlaten en ben ik als tekstschrijver andere wegen gaan bewandelen. Dikwijls word mij gevraagd welke verhalen in mijn 20-jarige carrière als dagbladjournalist de meeste indruk op me hebben gemaakt. Dit is er één van, met name door de ontwikkelingen die erop volgden. Ik dank iedereen voor hun medewerking hierin, en voor hun vertrouwen.


Trudy van der Wees
Juni 2012

Een bewogen leven als oorlogswees

Een slecht jaar, noemt Rob Hompes 1943. De Jodenvervolging is in volle gang. Rob wordt op 18 maart 1943 geboren in de Muiderstraat 15 in Amsterdam. Zijn vader is al in oktober 1942 opgepakt en – zou later blijken - in februari 1943 in Auschwitz omgebracht. Zijn moeder en twee oudere broertjes worden op 20 juli 1943 opgepakt en naar Sobibor gedeporteerd en aldaar vergast. Rob overleeft de oorlog omdat het ondergronds verzet ervoor zorgt dat hij kort na zijn geboorte wordt opgenomen in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis, vanwege een voedselstoornis en luieruitslag. De baby wordt door verzetsmensen uit het ziekenhuis gesmokkeld. Het kindje verblijft steeds korte tijd op allerlei onderduikadressen, die achteraf niet meer te achterhalen zijn. Uiteindelijk komt hij in Delft terecht bij de Delftse verzetsman Kees Chardon. Deze regelt een definitief onderduikadres bij de rooms-katholieke familie Jongeleen aan de Gasthuislaan 168. Daar komt Rob op 29 juli 1943 in huis.

“Louis Jongeleen was een sociaal bewogen en zeer invoelend mens”, vertelt Rob. “Hij heeft me altijd als zijn eigen zoon beschouwd en behandeld. Ik wist niet beter of mijnheer en mevrouw Jongeleen waren mijn ouders.” Toen Rob een jaar of zes was, hoorde hij de waarheid. Na de oorlog werd de Nederlandse samenleving geconfronteerd met een groot aantal Joodse oorlogsweeskinderen. De door de overheid opgerichte stichting OPK (OorlogsPleegKinderen) en de Joodse Voogdijraad (later de stichting Le-Ezrath-Hajeled) waren het aanvankelijk niet met elkaar eens over de vraag wie verantwoordelijk was voor deze kinderen en hoe zij moesten worden opgevoed. De Joodse Voogdijraad wilde dat ze in een Joodse omgeving, bijvoorbeeld bij een Joods gezin of familie of in een Joods tehuis zouden opgroeien. De OPK vond dat je de kinderen niet moest weghalen bij hun (niet-Joodse) pleegouders. De stichting Le-Ezrath-Hajeled, die was belast met het regelen van de voogdij over Joodse oorlogskinderen, zag het liefst dat Rob zou worden geplaatst in een Joods gezin. “Ik was toen nog heel klein, maar ik wist al wel heel goed dat ik dat niet tot elke prijs wilde.” Er werd besloten tot een andere aanpak. “Ik mocht bij de familie Jongeleen blijven, maar het moest wel duidelijk worden dat ik Joods was. Ik moest weer Robert Israël Hompes gaan heten. Om die overgang makkelijker te maken werd ik eerst Louis Hompes genoemd. Dat was toen ik van de katholieke nonnenschool naar de derde klas van de openbare lagere school ging. Ik vond het raar, want ik had altijd Louis (Laurens Nicolaas) Jongeleen geheten, naar mijn pleegvader. Wat het nog vervelender maakte, was dat ik vanaf dat moment door schoolkinderen werd uitgemaakt voor Jodenjong. Ik werd enorm gepest.”

Bar mitswa
Na de oorlog ondernam een zus van Robs vader, maar vooral haar man, een vergeefse poging om de voogdij over haar neefje te krijgen. Rob voelde daar niets voor. In 1950 deed de rechter een uitspraak: Rob mocht onder bepaalde voorwaarden bij de familie Jongeleen blijven. Wel moest de Joodse opvoeding ter hand worden genomen met Joodse les en het doorbrengen van vakantie en Joodse feestdagen bij zijn oom en tante. De stichting Le-Ezrath-Hajeled drong er namelijk op aan dat Joodse kinderen betrokken zouden blijven bij de Joodse opvoeding en cultuur Hoewel Rob tijdens de oorlog, waarschijnlijk uit lijfsbehoud, katholiek was gedoopt, deden zijn pleegouders geen enkele poging om hem katholiek te maken. Wel ging Rob op zondag met zijn pleegouders ouders naar de hoogmis in de Maria van Jessekerk, maar daarna namen zijn vader en hij de tram naar Den Haag voor Joodse les. “In die periode ben ik bar mitswa geworden. De feestelijke lunch ter gelegenheid van mijn bar mitswa vond plaats bij een directe neef van mijn eigen vader, in Den Haag.”

Gelukkig in Den Haag
Deze neef zou een belangrijke rol gaan spelen in Robs leven. Toen zijn pleegouders ernstige huwelijksproblemen kregen en de situatie thuis onhoudbaar werd, nam hij de 14-jarige Rob in huis. “In het huis van mijn oom waren twee dochters waar ik qua leeftijd precies tussenin viel, en met wie ik graag optrok. Ik ben er vijf jaar in huis geweest, tot mijn negentiende.” Bij de Haagse familie kwam Rob terecht in een van oorsprong Joods-orthodox milieu. Echter, de ontberingen van de oorlogsjaren hadden zijn (oud)oom (advocaat van beroep) zijn geloof in een God doen verliezen. Hij was samen met een groot aantal toonaangevende Nederlanders in kamp Sint-Michelsgestel en later in Buchenwald geïnterneerd geweest. De Joodse sfeer proefde Rob tijdens de kampweken van Haboniem, de Socialistische Zionistische Joodse Jeugdbeweging. “Aan Haboniem heb ik vrienden overgehouden, onder anderen Awraham Soetendorp, tot 2008 rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag. We waren tien jaar toen we elkaar leerden kennen.”

Telkens weer opnieuw beginnen
Na zijn middelbare school ging Rob, negentien jaar oud, economie studeren in Rotterdam. Hij ging op kamers wonen. Eenmaal teruggeworpen op zichzelf klopte het verleden aan zijn deur. “Het eerste jaar ging prima. Ik genoot van het studentenleven. Maar toen ik op mezelf kwam te wonen had ik ineens tijd om na te denken, dingen te verwerken. Voor die tijd waren er zoveel dingen die ik moest. Ineens viel er een leegte, en die vulde zich met gedachten. Mijn derde en vierde studiejaar heb ik niet veel uitgevoerd. Ik had de beschikking over wat geld, dat was overgebleven uit het faillissement van het bedrijf van mijn (groot)vader. Daarvan heb ik mijn studie betaald en kon ik van leven. Ik ben er later trouwens achter gekomen dat ik mijn hele leven alle rekeningen voor mijn levensonderhoud en opleiding zelf heb betaald van het geërfde kapitaal.” De problemen begonnen in de zomer van 1964, toen zijn oom uit Den Haag overleed. “Zijn dood was een groot verlies voor mij. We hadden in vijf jaar een warme, hechte band opgebouwd. Hij vond het fijn naast zijn twee dochters er een zoon bij te hebben gekregen. Ik voelde me echt lid van het gezin. Ik had weer familie. Toen hij stierf kwam er veel verdriet boven. Verdriet over telkens weer afscheid nemen: van mijn eigen ouders, van mijn pleegvader, van mijn oom. Telkens weer breken en opnieuw beginnen.”

Kibboets
Na zijn afstuderen, in 1971, besloot Rob officieel te emigreren naar Israel. “Ik was er in mijn studententijd een viertal keren uitgebreid geweest, had in een kibboets gewerkt. Het leek een logische stap. Maar het was weer een afscheid, weer een nieuw begin. Dat heb ik niet kunnen en willen bolwerken. Na een half jaar was ik weer terug in Nederland. Ik ben weer teruggegaan naar mijn tante/pleegmoeder in Den Haag, die me wel heeft opgevangen, maar geen oog had voor mijn emotionele problemen. Ik ben meteen via een uitzendbureau gaan werken als postbode bij het ministerie van Justitie. Dat verdiende het meest! Ik vond een kamer en ben gaan solliciteren. In augustus 1972 kon ik aan de slag bij het computercentrum van Nationale Nederlanden.”

Stevige Joodse wortels
In diezelfde periode ontmoette Rob zijn vrouw. Haar ouders waren lichamelijk en geestelijk getraumatiseerd teruggekeerd uit Bergen-Belsen. Haar jeugd werd overschaduwd door hun verleden. “Het was belangrijk voor mij dat ik een partner vond met een Joods verleden. Door mijn opvoeding, door mijn verblijf in Israel, het werk in de kibboets en mijn lidmaatschap van Haboniem had ik stevige Joodse wortels gekregen. In Joodse kringen voelde ik me thuis. Elders had ik toch altijd het gevoel dat ik er niet mocht zijn.” Uiteindelijk is de Joodse religie en cultuur een belangrijke rol blijven spelen in zijn leven. Rob is vele tientallen jaren actief geweest binnen de Liberale Joodse Gemeenschap van Den Haag en daarbuiten, bijvoorbeeld een Joods bejaardenhuis. “Ik wilde iets terugdoen voor de Joodse gemeenschap omdat ik me binnen die kring hervonden had. Ik wilde mijn kennis op mijn vakgebied ten dienste stellen van de opleving van de Joodse gemeente in Nederland.” Rob voelt zich nu Joodser dan ooit. “Het zit diep geworteld in mijn leven. Waar we ook woonden, we hebben de Joodse religie en cultuur altijd bewust opgezocht. Mijn vrouw en ik vinden het belangrijk dat ook onze kinderen zich bewust zijn van hun Joodse roots. En we zijn blij dat onze beide kinderen allebei Joodse partners hebben.”

Het verleden is nooit ver weg
Ondanks de moeizame start kan Rob terugkijken op een geslaagd leven, een goed huwelijk met ups en downs en een gezin waar hij zeer trots op is. Na zijn studie economie ging hij de automatisering in, het vak van de toekomst. Hij studeerde af bij Max Euwe. Het grootste deel van zijn werkzame leven was hij in dienst bij Shell, waar hij diverse financiële functies vervulde in binnen- en buitenland. De worsteling met zijn identiteit is voorbij, maar het verleden speelt nog regelmatig op. “Ik heb geprobeerd de mate waarin mijn verleden mijn heden beïnvloedt, te beperken. Zo van: nu moet ik maar weer door. Toch zeg ik altijd: de oorlog is voor mij nooit afgelopen. Ik word er bijvoorbeeld mee geconfronteerd in de vragen die mijn kinderen me soms stellen. Het verleden speelt op elk moment van ons leven nog steeds een rol. Je kunt het verwerkt hebben, je weet ermee te leven, maar het verdwijnt nooit. Er hoeft zich maar een klein voorval voor te doen en je gedachten gaan weer terug naar het verleden. In die zin ben ik een oorlogsslachtoffer. De oorlog heeft me mijn ouders en mijn broers afgenomen, maar ook een gedeelte van mijn jeugd.”

Tekst: Trudy van der Wees
© Copyright Rob Hompes

zaterdag 31 december 2011

In een spagaat tussen twee werelden



Judi Klok-Levit (1944) is het nichtje van Maria Brix Dresden). In tegenstelling tot Maria overleefden haar ouders de oorlog. Omdat haar Joodse vader was gehuwd met een niet-Joodse vrouw, werd hij vrijgesteld van deportatie naar de concentratiekampen. Desondanks heeft de oorlog diepe sporen nagelaten binnen het gezin. Als niet-Joodse is Judi nog steeds op zoek naar erkenning van haar Joodse wortels en traumatische verleden.

Mozes Levit en Martje Sjoukelina Levit-Telling leerden elkaar kennen op een toneelvereniging. Mozes was Joods, Martje gereformeerd. “Dat was een probleem”, vertelt Judi. “Een Joodse man en een niet-Joodse vrouw, die mochten niet met elkaar trouwen. Maar, ze móesten wel trouwen. Ze waren negentien jaar oud en er was een kind op komst. Aanvankelijk werd mijn moeder niet geaccepteerd in het Joodse milieu van mijn vader. Later nam ze steeds meer deel aan orthodox-joodse rituelen. Ze werd in haar doen en laten Joodser dan mijn vader. Bij ons thuis werd bijvoorbeeld nooit kerstfeest of sinterklaas gevierd. Wij vierden de Joodse feesten.”


Mozes Levit kwam uit Groningen en was voor de oorlog naar Dokkum verhuisd, een stad zonder Joodse gemeenschap. Mozes had geen werk en begon daarom een eigen bedrijf in lompen, oude metalen en antiek. De Duitsers lieten hem met rust omdat hij met een niet-Joodse vrouw was getrouwd. Mozes en Martje raakten betrokken bij het lokale verzet. In hun woning bivakkeerden geregeld onderduikers. “Dokkum was in die tijd niet zo groot. Er waren wel veel winkels. Mensen konden daar overdag niet onderduiken, alleen ’s nachts. Daarom zaten ze overdag bij mijn ouders.”

Kamp Havelte

Judi is geboren op 30 juli 1944. Ze heeft nog een oudere broer en zus die respectievelijk twee en achttien jaar ouder zijn. Haar vader was niet bij haar geboorte. Hij verbleef in Kamp Havelte, een werkkamp. “De Duitsers lieten mensen als mijn vader relatief met rust, maar ze werden wel gesepareerd.” In juli moest Mozes zich bij Kamp Havelte melden, maar op 3 oktober werd hij alweer gesignaleerd in Dokkum. Hij was ontsnapt, met hulp van een Duitse officier. “Toen hij terugkeerde naar Dokkum is hij door veel mensen geholpen. Daar waren ook mensen bij die er destijds voor hadden gekozen om lid te zijn van de NSB. Zij zorgden ervoor dat het hele gezin allerlei spullen en voedsel kreeg, bijvoorbeeld een glazen aspirinebuisje waar thee in zat. Wanneer er razzia’s werden gehouden gaven ze mijn ouders een seintje en verborg vader zich in de dakgoot. Mijn zusje nam mijn broertje dan altijd mee uit wandelen, om te voorkomen dat hij zijn mond voorbij zou praten.”


Na de oorlog zijn Mozes en Martje in Dokkum gebleven Zij hadden de oorlog overleefd, maar Mozes’ familie keerde niet terug uit de Duitse vernietigingskampen. “Mijn vader was na de oorlog een gebroken man en hij is de rest van zijn leven ziekelijk gebleven. Hij wist van het bestaan van zijn nichtje, Maria en hij wist dat ze bij de familie Venselaar in Delft terecht was gekomen. Mijn ouders hebben alles willen proberen om Maria in huis te nemen. Maar dat bleek helemaal niet zo makkelijk. Het Joods Maatschappelijk Werk, dat de voogdij regelde, was erg streng. Je moest aan allerlei eisen voldoen om een Joods kind in je familie op te nemen, zelfs al was het een kind van de bloedeigen zus. Je moest bijvoorbeeld een bepaald inkomen hebben. Mijn vader had na de oorlog geen werk. Hij was geestelijk en lichamelijk niet sterk door alles wat er was gebeurd. De huiselijke situatie was ook niet ideaal om er nog een kind bij te hebben. Mijn ouders hadden hun handen vol aan mijn broertje en mij. Mijn zus is in 1947 getrouwd, maar heeft nog een aantal jaren met haar man en twee kinderen bij ons ingewoond. Zwager Wim was namelijk dienstplichtige militair en werd naar Indonesië gestuurd. Is dat een situatie waarin je een verweesd nichtje in huis moet halen? Het was dus een lastige situatie, maar mijn ouders hadden er ook problemen mee om Maria weg te halen bij de mensen die haar in de oorlog goed hadden opgevangen.”

Pension

Toen Mozes na de oorlog een lelijke val maakte en daar rugklachten aan overhield, was de kans op een baan definitief verkeken. De familie verhuisde naar Delft, de stad waar Maria woonde bij haar pleegouders. Ze begonnen er een pension aan de Oude Delft 178. Een groot huis, met veertien kamers. “Het was 1953, het jaar van de watersnoodramp. Ik kan me herinneren dat we toen evacués uit Zeeland hebben opgevangen. In die tijd was er in het noorden van het land weinig werk. Veel mensen kwamen naar het westen, op zoek naar werk, en huurden een kamer in ons pension. Ook woonden er veel studenten, die in de weekenden naar huis gingen. In het weekend kwamen er dikwijls buitenlandse toeristen via de VVV, ook Duitsers. Mijn ouders hadden het daar vreselijk moeilijk mee. Ik was negen jaar toen we in Delft arriveerden. Ik sliep op zolder, en als ik niet naar school was hielp ik mee in de bediening: boterhammen smeren, thee zetten. Op school ging het niet lekker. Op de Jan Vermeerschool werd ik niet geaccepteerd door mijn klasgenoten. Ik werd gepest vanwege mijn Joodse achternaam en mijn Friese accent.” Judi zat in de vierde klas van de Joost ’t Hooftschool toen zowel de gezondheid van haar vader als die van haar moeder achteruitging. Ze stopte met haar middelbare schoolopleiding en ging werken als hulpverkoopster bij Vroom en Dreesman. Daarnaast hielp ze haar ouders in het pension. “Dat was vanzelfsprekend. Op dat moment vond ik het niet erg. Nu wel.” Het was in haar middelbare-schooltijd dat Judi zich bewust werd van haar Joodse identiteit. “Het begon te kriebelen, waarschijnlijk omdat ik niet geaccepteerd werd door de andere kinderen. Ik werd lid van de Joodse jeugdbeweging. Daar voelde ik me voor het eerst thuis, geaccepteerd. In de loop der tijd is dat Joodse gevoel alleen maar sterker geworden, zeker toen Judi betrokken raakte bij de Stichting Kfar Saba. Deze is in 1968 opgericht om vriendschappelijke banden tussen inwoners en instellingen van Delft en Kfar Saba (Israël) te bevorderen. Er zijn regelmatig uitwisselingsprogramma’s. Judi is al twintig jaar bestuurslid en de laatste tien jaar voorzitter van de stichting en is regelmatig in Israël te vinden. Ze beschouwt het als haar tweede vaderland. “Ik voel me verwant met het Joodse geloof en de Joodse belevingswereld, maar ik praktizeer het niet. Misschien uit angst voor het verleden.” Ze maakt echter geen geheim van haar overtuiging, onder meer door het dragen van een halsketting met een kleine Davidster. Die draagt ze ook als ze als Buitengewoon Ambtenaar van de Burgelijke Stand huwelijken sluit. “Als mensen daar moeite mee hebben, moeten ze maar een andere trouwambtenaar zoeken.” Israel wordt steeds belangrijker in haar leven en afscheid nemen van de mensen in Kfar Saba steeds moeilijker. “We worden daar echt beschouwd alsof we familie zijn van elkaar. We vieren bijvoorbeeld gezamenlijk shabath met de burgemeester van Kfar Saba, Yehuda Ben Hamu en zijn familie. De laatste drie jaar vieren we de Israëlische Onafhankelijkheidsdag, een dag vol herinneringen, in Kfar Saba. Dan wordt er altijd een muziekfestival georganiseerd. Het is fantastisch om daarbij aanwezig te zijn.”

Onrechtvaardig

Al een aantal jaren is Judi in een strijd verwikkeld met de Nederlandse overheid. Ze zoekt officiële erkenning als vervolgingsslachtoffer en wil in aanmerking komen voor een uitkering volgens de Wet op vervolgingsslachtoffers. Ze heeft daarvoor een verzoek ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank, dat is afgewezen. Ze hoopt nu dat de Raad van State uitsluitsel gaat geven. “Bij de Sociale Verzekeringsbank zeiden ze: ‘Wat kom je doen? Aan wat voor gevaren heb jij nou blootgestaan?’ Dat vind ik onrechtvaardig. In de ogen van de Nederlandse staat ben ik geen oorlogsslachtoffer, maar een oorlogsgetroffene. Dat is een subtiel verschil, maar wel één met grote gevolgen. Mijn vader kreeg een uitkering als vervolgingsslachtoffer en mijn moeder kreeg een uitkering van de Stichting 1940-1945 omdat ze in het verzet had gezeten. Mijn hele leven is overschaduwd door de oorlog, maar ik val in geen enkele categorie. Ik heb mijn ouders verzorgd, ik heb mijn opleiding niet afgemaakt en ik heb emotionele schade opgelopen, al is die niet meetbaar. Het is niet makkelijk om op te groeien met een vader wiens volledige familie is vermoord. Ik draag al die ellende met me mee. Wat voor impact heeft dat op een kind?”

Joodse tegoeden

In 1967 is Judi getrouwd met Karel Klok, iemand zonder Joodse achtergrond. Samen hebben zij één zoon en twee kleinkinderen. Karel steunt haar in alle opzichten, ook in haar affiniteit met het Joodse geloof en haar worsteling met haar identiteit. De Joodse gemeenschap erkent alleen kinderen van een Joodse moeder als Joods. Judi, met haar gereformeerde moeder, vindt bij deze groep mensen dus geen gehoor. Vanwege haar Joodse achternaam beschouwen niet-Joden haar echter wel als Joods. “Ik zit voortdurend in een soort spagaat. Vandaar mijn zoektocht naar erkenning.” Judi kwam wèl in aanmerking voor een uitkering in het kader van de Maror-regeling. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de bezittingen van veel Joden in beslag genomen. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd dit opnieuw aan de kaak gesteld. Uiteindelijk heeft de Nederlandse overheid 181,5 miljoen euro ter beschikking gesteld aan de slachtoffers en hun nabestaanden. “Om in aanmerking te komen voor die uitkering moest je aan een aantal voorwaarden voldoen. Je moest bijvoorbeeld twee Joodse grootouders hebben. Nou, die had ik. Dus ik heb een bedrag ontvangen. Waarom gelden er voor een uitkering als oorlogsgetroffene andere regels? Waarom besta ik nu ineens niet?“ Judi weet dat ze deze strijd niet gaat winnen. “De wet is knalhard. Maar ik wil één keer mijn verhaal vertellen. Al is het maar om mijn gedrag te verklaren. Ik kan niet tegen onrecht. Als ik daarmee word geconfronteerd ben ik als een terriër.” Die houding kwam haar goed van pas in haar vakbondswerk bij de Abva Kabo FNV. Judi werkte vele jaren als secretaris van de afdeling Delft en ook als gekozen bondsbestuurder in het Hoofdbestuur van de AbvaKabo FNV. “Ik heb altijd geknokt voor andere mensen. Het zou fijn zijn als er nou ook eens iemand voor mij zou knokken.”

door Trudy van der Wees