Een slecht jaar, noemt Rob Hompes 1943. De Jodenvervolging is in volle gang. Rob wordt op 18 maart 1943 geboren in de Muiderstraat 15 in Amsterdam. Zijn vader is al in oktober 1942 opgepakt en – zou later blijken - in februari 1943 in Auschwitz omgebracht. Zijn moeder en twee oudere broertjes worden op 20 juli 1943 opgepakt en naar Sobibor gedeporteerd en aldaar vergast. Rob overleeft de oorlog omdat het ondergronds verzet ervoor zorgt dat hij kort na zijn geboorte wordt opgenomen in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis, vanwege een voedselstoornis en luieruitslag. De baby wordt door verzetsmensen uit het ziekenhuis gesmokkeld. Het kindje verblijft steeds korte tijd op allerlei onderduikadressen, die achteraf niet meer te achterhalen zijn. Uiteindelijk komt hij in Delft terecht bij de Delftse verzetsman Kees Chardon. Deze regelt een definitief onderduikadres bij de rooms-katholieke familie Jongeleen aan de Gasthuislaan 168. Daar komt Rob op 29 juli 1943 in huis.
“Louis Jongeleen was een sociaal bewogen en zeer invoelend mens”, vertelt Rob. “Hij heeft me altijd als zijn eigen zoon beschouwd en behandeld. Ik wist niet beter of mijnheer en mevrouw Jongeleen waren mijn ouders.” Toen Rob een jaar of zes was, hoorde hij de waarheid. Na de oorlog werd de Nederlandse samenleving geconfronteerd met een groot aantal Joodse oorlogsweeskinderen. De door de overheid opgerichte stichting OPK (OorlogsPleegKinderen) en de Joodse Voogdijraad (later de stichting Le-Ezrath-Hajeled) waren het aanvankelijk niet met elkaar eens over de vraag wie verantwoordelijk was voor deze kinderen en hoe zij moesten worden opgevoed. De Joodse Voogdijraad wilde dat ze in een Joodse omgeving, bijvoorbeeld bij een Joods gezin of familie of in een Joods tehuis zouden opgroeien. De OPK vond dat je de kinderen niet moest weghalen bij hun (niet-Joodse) pleegouders. De stichting Le-Ezrath-Hajeled, die was belast met het regelen van de voogdij over Joodse oorlogskinderen, zag het liefst dat Rob zou worden geplaatst in een Joods gezin. “Ik was toen nog heel klein, maar ik wist al wel heel goed dat ik dat niet tot elke prijs wilde.” Er werd besloten tot een andere aanpak. “Ik mocht bij de familie Jongeleen blijven, maar het moest wel duidelijk worden dat ik Joods was. Ik moest weer Robert Israël Hompes gaan heten. Om die overgang makkelijker te maken werd ik eerst Louis Hompes genoemd. Dat was toen ik van de katholieke nonnenschool naar de derde klas van de openbare lagere school ging. Ik vond het raar, want ik had altijd Louis (Laurens Nicolaas) Jongeleen geheten, naar mijn pleegvader. Wat het nog vervelender maakte, was dat ik vanaf dat moment door schoolkinderen werd uitgemaakt voor Jodenjong. Ik werd enorm gepest.”
Bar mitswa
Na de oorlog ondernam een zus van Robs vader, maar vooral haar man, een vergeefse poging om de voogdij over haar neefje te krijgen. Rob voelde daar niets voor. In 1950 deed de rechter een uitspraak: Rob mocht onder bepaalde voorwaarden bij de familie Jongeleen blijven. Wel moest de Joodse opvoeding ter hand worden genomen met Joodse les en het doorbrengen van vakantie en Joodse feestdagen bij zijn oom en tante. De stichting Le-Ezrath-Hajeled drong er namelijk op aan dat Joodse kinderen betrokken zouden blijven bij de Joodse opvoeding en cultuur Hoewel Rob tijdens de oorlog, waarschijnlijk uit lijfsbehoud, katholiek was gedoopt, deden zijn pleegouders geen enkele poging om hem katholiek te maken. Wel ging Rob op zondag met zijn pleegouders ouders naar de hoogmis in de Maria van Jessekerk, maar daarna namen zijn vader en hij de tram naar Den Haag voor Joodse les. “In die periode ben ik bar mitswa geworden. De feestelijke lunch ter gelegenheid van mijn bar mitswa vond plaats bij een directe neef van mijn eigen vader, in Den Haag.”
Gelukkig in Den Haag
Deze neef zou een belangrijke rol gaan spelen in Robs leven. Toen zijn pleegouders ernstige huwelijksproblemen kregen en de situatie thuis onhoudbaar werd, nam hij de 14-jarige Rob in huis. “In het huis van mijn oom waren twee dochters waar ik qua leeftijd precies tussenin viel, en met wie ik graag optrok. Ik ben er vijf jaar in huis geweest, tot mijn negentiende.” Bij de Haagse familie kwam Rob terecht in een van oorsprong Joods-orthodox milieu. Echter, de ontberingen van de oorlogsjaren hadden zijn (oud)oom (advocaat van beroep) zijn geloof in een God doen verliezen. Hij was samen met een groot aantal toonaangevende Nederlanders in kamp Sint-Michelsgestel en later in Buchenwald geïnterneerd geweest. De Joodse sfeer proefde Rob tijdens de kampweken van Haboniem, de Socialistische Zionistische Joodse Jeugdbeweging. “Aan Haboniem heb ik vrienden overgehouden, onder anderen Awraham Soetendorp, tot 2008 rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag. We waren tien jaar toen we elkaar leerden kennen.”
Telkens weer opnieuw beginnen
Na zijn middelbare school ging Rob, negentien jaar oud, economie studeren in Rotterdam. Hij ging op kamers wonen. Eenmaal teruggeworpen op zichzelf klopte het verleden aan zijn deur. “Het eerste jaar ging prima. Ik genoot van het studentenleven. Maar toen ik op mezelf kwam te wonen had ik ineens tijd om na te denken, dingen te verwerken. Voor die tijd waren er zoveel dingen die ik moest. Ineens viel er een leegte, en die vulde zich met gedachten. Mijn derde en vierde studiejaar heb ik niet veel uitgevoerd. Ik had de beschikking over wat geld, dat was overgebleven uit het faillissement van het bedrijf van mijn (groot)vader. Daarvan heb ik mijn studie betaald en kon ik van leven. Ik ben er later trouwens achter gekomen dat ik mijn hele leven alle rekeningen voor mijn levensonderhoud en opleiding zelf heb betaald van het geërfde kapitaal.” De problemen begonnen in de zomer van 1964, toen zijn oom uit Den Haag overleed. “Zijn dood was een groot verlies voor mij. We hadden in vijf jaar een warme, hechte band opgebouwd. Hij vond het fijn naast zijn twee dochters er een zoon bij te hebben gekregen. Ik voelde me echt lid van het gezin. Ik had weer familie. Toen hij stierf kwam er veel verdriet boven. Verdriet over telkens weer afscheid nemen: van mijn eigen ouders, van mijn pleegvader, van mijn oom. Telkens weer breken en opnieuw beginnen.”
Kibboets
Na zijn afstuderen, in 1971, besloot Rob officieel te emigreren naar Israel. “Ik was er in mijn studententijd een viertal keren uitgebreid geweest, had in een kibboets gewerkt. Het leek een logische stap. Maar het was weer een afscheid, weer een nieuw begin. Dat heb ik niet kunnen en willen bolwerken. Na een half jaar was ik weer terug in Nederland. Ik ben weer teruggegaan naar mijn tante/pleegmoeder in Den Haag, die me wel heeft opgevangen, maar geen oog had voor mijn emotionele problemen. Ik ben meteen via een uitzendbureau gaan werken als postbode bij het ministerie van Justitie. Dat verdiende het meest! Ik vond een kamer en ben gaan solliciteren. In augustus 1972 kon ik aan de slag bij het computercentrum van Nationale Nederlanden.”
Stevige Joodse wortels
In diezelfde periode ontmoette Rob zijn vrouw. Haar ouders waren lichamelijk en geestelijk getraumatiseerd teruggekeerd uit Bergen-Belsen. Haar jeugd werd overschaduwd door hun verleden. “Het was belangrijk voor mij dat ik een partner vond met een Joods verleden. Door mijn opvoeding, door mijn verblijf in Israel, het werk in de kibboets en mijn lidmaatschap van Haboniem had ik stevige Joodse wortels gekregen. In Joodse kringen voelde ik me thuis. Elders had ik toch altijd het gevoel dat ik er niet mocht zijn.” Uiteindelijk is de Joodse religie en cultuur een belangrijke rol blijven spelen in zijn leven. Rob is vele tientallen jaren actief geweest binnen de Liberale Joodse Gemeenschap van Den Haag en daarbuiten, bijvoorbeeld een Joods bejaardenhuis. “Ik wilde iets terugdoen voor de Joodse gemeenschap omdat ik me binnen die kring hervonden had. Ik wilde mijn kennis op mijn vakgebied ten dienste stellen van de opleving van de Joodse gemeente in Nederland.” Rob voelt zich nu Joodser dan ooit. “Het zit diep geworteld in mijn leven. Waar we ook woonden, we hebben de Joodse religie en cultuur altijd bewust opgezocht. Mijn vrouw en ik vinden het belangrijk dat ook onze kinderen zich bewust zijn van hun Joodse roots. En we zijn blij dat onze beide kinderen allebei Joodse partners hebben.”
Het verleden is nooit ver weg
Ondanks de moeizame start kan Rob terugkijken op een geslaagd leven, een goed huwelijk met ups en downs en een gezin waar hij zeer trots op is. Na zijn studie economie ging hij de automatisering in, het vak van de toekomst. Hij studeerde af bij Max Euwe. Het grootste deel van zijn werkzame leven was hij in dienst bij Shell, waar hij diverse financiële functies vervulde in binnen- en buitenland. De worsteling met zijn identiteit is voorbij, maar het verleden speelt nog regelmatig op. “Ik heb geprobeerd de mate waarin mijn verleden mijn heden beïnvloedt, te beperken. Zo van: nu moet ik maar weer door. Toch zeg ik altijd: de oorlog is voor mij nooit afgelopen. Ik word er bijvoorbeeld mee geconfronteerd in de vragen die mijn kinderen me soms stellen. Het verleden speelt op elk moment van ons leven nog steeds een rol. Je kunt het verwerkt hebben, je weet ermee te leven, maar het verdwijnt nooit. Er hoeft zich maar een klein voorval voor te doen en je gedachten gaan weer terug naar het verleden. In die zin ben ik een oorlogsslachtoffer. De oorlog heeft me mijn ouders en mijn broers afgenomen, maar ook een gedeelte van mijn jeugd.”
Tekst: Trudy van der Wees
© Copyright Rob Hompes
Posts tonen met het label Louis Jongeleen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Louis Jongeleen. Alle posts tonen
woensdag 20 juni 2012
dinsdag 1 maart 2011
'Ik ben uit liefde geboren, dat is mijn houvast'
door Trudy van der Wees
In 2005 verscheen een artikel in de Haagsche/Delftsche Courant waarin de 79-jarige Margreet de Bruin-Chardon een poging deed om erachter te komen wat er was gebeurd met de Joodse kinderen die haar broer, de Delftse verzetstrijder Kees Chardon (1919-1945), in de oorlogsjaren had helpen onderduiken. Een lastige opgave. Niet alle kinderen zullen de oorlog hebben overleefd, sommigen zijn geëmigreerd of al overleden. In veel gevallen zijn de namen van de onderduikers niet bekend. “Hoe ze echt heetten, wisten we nooit. Waar ze naartoe gingen evenmin. Er werd zo min mogelijk opgeschreven”, aldus Margreet de Bruin. Van één baby wist ze niet meer de naam, maar wel de uiterlijke kenmerken en ook waar het kindje terecht was gekomen. Het was een meisje met een klompvoetje. Ze werd ondergebracht bij een echtpaar in de Hugo de Grootstraat. “Ik heb nog haar luier verschoond.”
Naar aanleiding van het krantenartikel meldde zich enkele kinderen die dankzij de interventie van Chardon de oorlog hebben overleefd. Een van hen is Sara Dresden, het meisje met het klompvoetje. Ze was een van de zeshonderd kinderen die door het verzet uit de Joodse crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam werden weggesmokkeld naar onderduikadressen. Na de oorlog, toen bleek dat haar ouders in 1943 waren omgekomen in kamp Sobibor, bleef Sara bij haar onderduikouders wonen. Dit is haar verhaal, een zoektocht naar liefde, (h)erkenning en identiteit.
Sara Dresden is pas een paar weken oud als haar moeder haar bij de buren brengt. Het is februari 1943. Sara’s ouders, Racheltje (Koosje) Levit en Samuel (Sem) Dresden, weten op dat moment dat het ze niet gaat lukken om aan deportatie naar de Duitse vernietigingskampen te ontkomen. Ze worden door de nazi’s van hun bed gelicht en moeten zich klaarmaken voor vertrek naar kamp Westerbork. Hoe ze het voor elkaar krijgen zal altijd een raadsel blijven, maar ze zien kans de kleine Sara bij de buren af te geven[1]. Zo hopen ze haar jonge leven te redden. Hun andere dochter, de drie jaar oude Judith (Judokje), een kind uit een eerdere relatie van Racheltje, houden ze bij zich. Wat ging er door hen heen, die dag in 1943? Angst, verdriet en de diepe wens dat Sara de dans zou ontspringen in de veilige handen van de niet-Joodse buren? Dat ze elkaar levend en wel zouden terugzien als de oorlog voorbij zou zijn?
Wat zich in de eerste zes maanden van haar leven precies heeft afgespeeld, is een grote lege pagina in het leven van Sara Dresden. Ze was te jong om zich er iets van te herinneren. Alles wat ze ervan weet, heeft ze van horen zeggen. Een ding is duidelijk: de logeerpartij bij de buren was van korte duur, want uiteindelijk kwam ze toch in handen van de Duitsers. “Ik denk dat de buren bang waren om me te behouden en me daarom aan de Duitsers hebben gegeven. Vreselijk toch? Je denkt iemand te vertrouwen en toch…”
Predikant
De buren waren inderdaad niet erg gelukkig met het pakketje dat ze die februarinacht in hun handen kregen geduwd. Na zes weken namen ze contact op met een broer van Racheltje, met het verzoek zijn nichtje op te komen halen. Oom Mozes Levit uit Dokkum en zijn vrouw Martje waren bevriend met de predikant van de Mennonistenkerk. De huishoudster van deze predikant, mejuffrouw Steenbergen, zat in het verzet. Een keer in de maand reisde ze met de boot naar Stavoren-Enkhuizen naar Amsterdam, een hele onderneming. De Joodse Mozes schakelde deze dappere vrouw in om met de Amsterdamse buren te communiceren. Bij haar bezoek kreeg ze de helft van een in tweeën gescheurde ansichtkaart mee, met het dringende verzoek aan de buren om de baby nog even bij zich te houden tot er een oplossing was gevonden. De andere helft van de kaart stuurde Mozes aan ze op. Bij aankomst zou de koerierster moeten controleren of de twee delen pasten. Het was een in de oorlog veelvuldig gehanteerde methode om iemands identiteit te controleren.
Kees Chardon
Maar de buren voelden er niets voor om nog langer onderdak te bieden aan hun gevaarlijke logeetje. De kans is groot dat ze haar zelf naar de Joodse crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg brachten, dé plek waar Joden werden samengebracht om te worden gedeporteerd naar Duitsland. Waarschijnlijk was het mejuffrouw Steenbergen die de baby met hulp van anderen uit de crèche heeft gesmokkeld. Ze belandde via het ondergrondse verzet in Delft, waar de Delftse verzetsstrijder Kees Chardon[2] haar in huis nam tot er een meer definitieve oplossing voor haar was gevonden. Twee nachten verbleef ze met enkele andere Joodse kinderen in zijn woning aan de Spoorsingel 28. Op 3 juni 1943 kwam ze bij Jo en Wim Venselaar terecht, een kinderloos echtpaar dat bij Chardon in de buurt woonde, aan de Hugo de Grootstraat 25. Sara’s pleegouders lieten hun jonge onderduiker op 6 juni 1943 rooms-katholiek dopen en gaven haar de namen Maria Jozina Wilhelmina Antonia Francisca Helena. Roepnaam: Maria. “Wim Venselaar werkte bij de Nederlandse Kabel Fabriek en trad in zijn vrije tijd op als conferencier. Zij was de dochter van een ondernemer. Haar vader had een wijnhandel in de Hugo de Grootstraat”, vertelt Maria jaren later. “Waarom ze me in huis namen? Ik denk vanwege hun geloof. Heel veel gelovige mensen namen onderduikers in huis in die tijd. Omdat ze dachten het hoorde, omdat ze dachten dat het van hen werd verwacht.”
Oom Mozes
Na de oorlog keerden Maria’ouders niet terug uit concentratiekamp Sobibor. Vergeefs wachtte de familie Venselaar op een teken van leven van andere familieleden. Toen dat uitbleef kreeg het echtpaar in 1947 de voogdij over Maria; oom Mozes uit Dokkum, die de oorlog had overleefd, werd toeziend voogd. “Dat mijn oom me na de oorlog niet in huis heeft genomen, heb ik hem altijd kwalijk genomen. Mijn oom en tante zeiden dat ze me niet hadden willen weghalen bij de familie Venselaar. Ze vonden het zo goed dat zij zich tijdens de oorlog over me hadden ontfermd. Tegelijkertijd hadden ze veel kritiek op mijn pleegouders omdat ze me katholiek opvoedden. Ik heb wel altijd contact met mijn oom en tante gehouden. En door de verhalen van hun kinderen - een neef en twee nichtjes - kwam ik iets meer te weten over mijn grootouders. Hun opa en oma waren immers ook mijn opa en oma.”
Ware naam
Maria was zes toen ze ontdekt dat Wim en Jo Venselaar niet haar werkelijke ouders zijn. “Zij hebben me nooit officieel geadopteerd. Ik ben altijd Sara Dresden blijven heten, maar op school werd ik Maria Venselaar genoemd, zogenaamd omdat ik niet mocht weten dat ik niet een dochter was van de Venselaars. Toen mijn pleegmoeder me naar de school bracht en ik haar uitzwaaide, vroegen kinderen aan me: ‘Wie zeg jij gedag?’ Ik zei natuurlijk: ‘Mijn moeder’. Ze zeiden: ‘Je hebt geen moeder. Je bent een Jodenkind.’ Vanaf dat moment wilde ik weten wie ik werkelijk was. Mijn pleegmoeder liet weinig los, wat ik ook probeerde. Ik zocht op zolder naar papieren en spullen, in de hoop iets van mezelf terug te vinden. Toen er op een dag post arriveerde voor Sara Dresden, begreep ik dat die voor mij bedoeld was. Sara Dresden, dat was ik.”
Weinig liefde
“Ik heb geen prettige jeugd gehad”, vertelt Maria. “Thuis heerste de sfeer van een koelkast. Er mocht weinig. Tot mijn twaalfde woonden we in de Hugo de Grootstraat naast mijn (pleeg)grootouders, die erg lief voor me waren. Toen verhuisden we naar de Phoenixstraat, waar mijn pleegouders een pension begonnen. Soms verhuurden ze zelfs mijn kamertje. Het waren moeilijke mensen, achterdochtig, kritisch. Geen warme mensen. Ik heb weinig liefde gekend. Nooit eens een arm om me heen. Achteraf denk ik: ze hadden een minderwaardigheidscomplex. Mijn pleegvader was graag toneelspeler geworden, maar dat was in die tijd natuurlijk niet aan de orde. Mijn pleegmoeder heeft altijd heel hard moeten werken in de zaak van haar ouders. Volgens mij heeft ze zich nooit gewaardeerd gevoeld. En ik op mijn beurt heb me nooit gewenst gevoeld. Ik heb geen idee waarom ze mij na de oorlog hebben gehouden. Ze waren niet bijzonder aardig voor me. Tegelijkertijd waren ze doodsbang dat ze me zouden kwijtraken. Als er controle kwam van het Joods Maatschappelijk Werk waren ze bloednerveus en werd me op het hart gedrukt dat ik niets mocht zeggen, uit angst dat ze me zouden weghalen. Mijn pleegouders hebben vrijwel al mijn eigen persoonlijke herinneringen, zoals diploma’s, boeken en schriften, weggegooid. Ik heb één foto van mijn eigen ouders. Daar moest ik altijd een Weesgegroetje voor bidden. Mijn pleegouders zeiden dat het een foto was van hun broer en zus, die waren omgekomen in de oorlog.”
“Ik heb geen prettige jeugd gehad”, vertelt Maria. “Thuis heerste de sfeer van een koelkast. Er mocht weinig. Tot mijn twaalfde woonden we in de Hugo de Grootstraat naast mijn (pleeg)grootouders, die erg lief voor me waren. Toen verhuisden we naar de Phoenixstraat, waar mijn pleegouders een pension begonnen. Soms verhuurden ze zelfs mijn kamertje. Het waren moeilijke mensen, achterdochtig, kritisch. Geen warme mensen. Ik heb weinig liefde gekend. Nooit eens een arm om me heen. Achteraf denk ik: ze hadden een minderwaardigheidscomplex. Mijn pleegvader was graag toneelspeler geworden, maar dat was in die tijd natuurlijk niet aan de orde. Mijn pleegmoeder heeft altijd heel hard moeten werken in de zaak van haar ouders. Volgens mij heeft ze zich nooit gewaardeerd gevoeld. En ik op mijn beurt heb me nooit gewenst gevoeld. Ik heb geen idee waarom ze mij na de oorlog hebben gehouden. Ze waren niet bijzonder aardig voor me. Tegelijkertijd waren ze doodsbang dat ze me zouden kwijtraken. Als er controle kwam van het Joods Maatschappelijk Werk waren ze bloednerveus en werd me op het hart gedrukt dat ik niets mocht zeggen, uit angst dat ze me zouden weghalen. Mijn pleegouders hebben vrijwel al mijn eigen persoonlijke herinneringen, zoals diploma’s, boeken en schriften, weggegooid. Ik heb één foto van mijn eigen ouders. Daar moest ik altijd een Weesgegroetje voor bidden. Mijn pleegouders zeiden dat het een foto was van hun broer en zus, die waren omgekomen in de oorlog.”
Halfzusjes
Rond haar zestiende ontdekte Maria dat ze halfzusjes heeft: Grietje en Anna. “Ik kwam hun naam en adres tegen toen ik zat te snuffelen in papieren op zolder. Ik ben ernaartoe gegaan, en belde aan. Ze herkenden me meteen en begonnen hysterisch te huilen. Ik was natuurlijk blij dat ik familie had teruggevonden, maar deze meisjes waren vijftien, zestien jaar ouder dan ik, uit een eerder huwelijk van mijn vader met een niet-Joodse vrouw. Ik had meer behoefte aan hen dan zij aan mij.” Maria probeerde contact te blijven houden, al ging dat soms moeizaam. “Ze zijn een dag na elkaar overleden, net op het moment dat ik genoeg moed had verzameld om gerichte vragen te stellen over mijn vader, onze vader. Mijn oom Mozes had me waarschijnlijk meer kunnen vertellen over mijn eigen moeder, maar dat is niet gebeurd. Ik wist dat mijn oom mijn vader niet mocht. Een voddenkoopman van het Waterlooplein vond hij geen goede partij voor zijn zus. Sem schijnt ook nogal van een borreltje te hebben gehouden. Maar hij hield zielsveel van zijn vrouw. Sem hoefde niet naar Westerbork, hij is vrijwillig met Racheltje meegegaan.” Dit vergt enige uitleg. Sem was Joods van geboorte en dus een serieuze kandidaat voor deportatie. Echter, de anti-Joodse rassenwetten waren onnavolgbaar. Als een man met een niet-Joodse vrouw was getrouwd of was geweest, waren de Duitsers bereid een uitzondering te maken. Iemand kreeg dan een zgn. ‘Sperre', wat je zou kunnen omschrijven als een verzachtende omstandigheid. Eenmaal in het bezit van een Sperre was de kans groot dat je niet zou worden afgevoerd. Sems zwager Mozes ontliep op die manier de dans. Sem echter, besloot bij zijn vrouw te blijven toen arrestatie onvermijdelijk bleek. Dat blijkt ook uit een briefkaart die Racheltje op 15 april 1943 vanuit Kamp Westerbork naar haar familie stuurde: ‘Sem is vrijwillig met ons meegegaan.’
Veel persoonlijke bezittingen en herinneringen aan haar ouders zijn verloren gegaan, maar gelukkig heeft Maria via via nog wat spullen gekregen, onder andere het telegram dat Sem stuurde nadat ze geboren was, de naoorlogse briefwisseling waaruit blijkt wie zij is en kaarten die Racheltje vanuit Westerbork schreef aan haar familie in Dokkum. “Ik heb een foto waar mijn ouders samen op staan en een briefje dat mijn moeder heeft verstuurd uit het kamp. Daarin schrijft ze over mij: ‘je zou haar moeten zien, het is zo’n mooi meisje’. Daaruit blijkt haar liefde voor mij. Ik weet zeker: ik ben uit liefde geboren. Dat is mijn houvast.”
In 2009 heeft Maria alles wat ze aan papieren, brieven en briefkaarten had, geschonken aan herinneringscentrum Westerbork. “Tot mijn verrassing hing er in Westerbork een foto van mijn moeder. Toen ik die zag, wist ik dat er goed aan had gedaan alle spullen naar het herinneringscentrum te brengen. Het was alsof ze me haar zegen gaf.” Bij het weggaan haalde ze drie steentjes weg bij het monument voor slachtoffers van de Holocaust. “Op de grafsteen van mijn pleegouders heb ik ooit een koperen plaatje laten bevestigen met de tekst ‘voor Racheltje, Samuel en Judokje’. Daar heb ik die drie steentjes op gelegd.”
Jiddische mama
Voor haar gevoel leefde Maria een groot deel van haar jeugd op de automatische piloot. “Ik geloof dat ik pas ben gaan leven toen ik in Amsterdam op kamers ging wonen. Daar vond ik een kantoorbaantje en ontmoette ik mijn echtgenoot, Fred Brix. Zijn moeder is een Duitse, zijn vader Tsjechisch. Ja, hoe verzin je het?” Met Fred kreeg ze weer vaste grond onder de voeten. “Een fijne echtgenoot en een eigen gezin, dat is mijn redding geweest, denk ik. Plus mijn gevoel voor humor en mijn creatieve talent. Ik heb me helemaal kunnen uitleven in het amateurtoneel. Dat was een prima uitlaatklep. Geef me een hoedje en een brilletje en ik ben in mijn element. Iets als mezelf doen vind ik veel moeilijker. Door alles wat er is gebeurd heb ik problemen met mijn eigen identiteit.” Ze heeft vijftig jaar op de planken gestaan, eerst als Maria Venselaar, later als Maria Brix, de naam van haar man. “Slechts een keer heb ik onder de naam Sara Dresden gespeeld. Dat was De Trein, een stuk van Carl Slotboom. Het gaat over een jong stel dat de oorlog heeft overleefd en met elkaar in gesprek gaat. Dat greep me heel erg aan.”
Joods voelt ze zich niet. Geloof speelt geen enkele rol in haar leven. “Ik vind het wel geweldig dat mijn kleinzoon is genoemd naar de opa die hij nooit heeft gekend: Levi Samuel. En mijn zoon, Olaf, is geboren op de verjaardag van mijn vader en zusje. Zij waren op dezelfde dag jarig.’ Ze is er trots op dat ze de Joodse familielijn Dresden heeft kunnen voortzetten. “En ik ben trots op mijn naam. Dat is niet altijd zo geweest. Als iemand me vroeger Sara noemde, kon-ie een klap krijgen. Ik kan me niet herinneren wanneer ik trots werd op mijn naam. Maar tegen die tijd kende iedereen me als Maria Brix. Om dan ineens de telefoon op te nemen met Sarah - liefst met een h erachter, dat is veel mooier - is ook weer zo raar. Ik ben katholiek opgevoed, maar er zit wel iets Joods in me. Oudere Joodse mensen zeggen bijvoorbeeld nooit ‘tot ziens’ als ze van elkaar afscheid nemen. Je weet immers niet zeker of je elkaar nog terugziet. Ik kan ook geen gedag zeggen, terwijl niemand me dat heeft verteld. Dat zit er kennelijk gewoon in. Ik ben ook wel een soort Jiddische mama. Ik hou van gezelligheid. Ik hou van samen eten, veel eten. Hoe meer zielen hoe meer vreugd. Het liefst zou ik iedereen die ik graag mag alle dagen om me heen hebben. Jammer genoeg stoot ik mensen juist af. Mensen moeten niet te dichtbij komen. Ik ben te bang dat ik ze weer kwijt raak. Toen Olaf werd geboren heb ik hem de eerste zes weken niet uit mijn handen gegeven. Eindelijk iets van mezelf. Ik realiseerde me ook wel: dit kan niet, daar krijg je last van. Ik heb inmiddels geleerd met die angst om te gaan.”
Lotgenoten
Maar soms steekt het verleden weer de kop op en heeft ze behoefte aan contact met lotgenoten of wil ze meer weten over haar verleden, haar wortels. “Naarmate je ouder wordt krijg je kwalen. Kom je in het ziekenhuis, dan vragen ze soms: komt deze kwaal in uw familie voor? Dan moet ik weer zeggen dat ik geen familie heb, heel pijnlijk. Lotgenoten heb ik in 1992 ontmoet bij de conferentie Het Ondergedoken Kind, die werd georganiseerd in de Rai in Amsterdam. Dat heeft veel bij me losgemaakt. Al die kinderen die er in de oorlog niet mochten zijn. Ik voelde me heel klein worden. Stond ik daar bij de Meeting Point stilletjes te hopen dat er iemand op me af zou komen, die naar mij zou vragen. Ik zag mensen die nog een achternicht of neef hadden, die elkaar omhelsden. Maar er kwam niemand voor mij. Ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld. Ik wilde zo graag ergens bij horen. In mijn jeugd fantaseerde ik dat ik een heleboel broertjes en zusjes had, maar dat ik die niet mocht zien. Ik dacht dat ze op zolder of in kasten verstopt zaten.”
Bloedband
Maria Brix heeft haar pleegouders tot hun dood, in 1998, verzorgd. Niet van harte, zegt ze eerlijk, want het bleven lastige mensen. “En toch hield ik van ze. Ik wìlde ook van ze houden. Helaas was mijn pleegmoeder niet in staat om liefde te geven. Mijn pleegouders waren, zeg maar, emotioneel gehandicapt. Toen mijn pleegmoeder op sterven lag, zei ze tegen me: ‘Nu heb je voor mij te zorgen, want ik heb voor jou gezorgd in de oorlog.’ Dat deed zo’n pijn. Waarom zeg je zoiets tegen je kind?” Na hun overlijden hoopte Maria eindelijk schoon schip te kunnen maken en te beginnen met haar eigen leven. Zonder schuldgevoelens, zonder het eeuwige gevoel dankbaar te moeten zijn. “Maar toen het zo ver was ging ik kwakkelen met mijn gezondheid. Ik kreeg suikerziekte, een te hoge bloeddruk, te hoge cholesterol. Ik werd depressief, kwam bij een psycholoog terecht. Zij adviseerde me contact op te nemen met het Joods Maatschappelijk Werk. Dat heb ik geweigerd. Ik zei: ‘Hier zit niet Sara Dresden of Maria Venselaar. Hier zit een mens.’ Ik ben er uiteindelijk zelf weer uitgeklommen. Ik ben door alles wat me is overgekomen een sterke vrouw geworden. Dat is dan één voordeel.’
En toch….
Haar hele leven is Maria bezig geweest om met het verleden in het reine te komen. “Toen mijn pleegvader overleed heb ik tijdens de herdenkingsdienst in de kerk letterlijk tegen hem gezegd: ‘Oké, je was achterdochtig, je had overal een eigen mening over, je was eigenwijs, maar je was wel mìjn vader. En dat het niet ons eigen bloed was, dat ons verbond, dat doet er niet toe.’ Elk kind wil toch een vader en moeder hebben?” Tegenwoordig kan Maria met enige afstand kijken naar de mensen die zij als haar ouders is gaan beschouwen. “Ik ben opgehouden met almaar vragen stellen. Ik werd er gek van en het leidt tot niets. De antwoorden komen toch niet. En uiteindelijk, hoe raar het ook klinkt, ondanks alles, ben ik Wim en Jo Venselaar oneindig dankbaar voor wat ze hebben gedaan. Zonder hen had ik hier niet gezeten.”
* Met dank aan Lydia Hoogland, www.genpage.nl
[2] *) Kees Chardon werd in 1944 verraden en overleed in een Duits concentratiekamp, enkele dagen voor de bevrijding. Een aantal van zijn onderduikers zorgde ervoor dat er op de Israëlische gedenkplaats Yad Vashem een boom voor hem werd geplaatst langs de Laan der Rechtvaardigen.
Abonneren op:
Posts (Atom)


