Ze is graag buiten. Dus zit ze
vaak op haar balkon, met een sigaartje. Soms roept ze iets naar beneden, naar
de jongeren die zich op het plein ophouden. Ze roept ze tot de orde of maakt
juist grapjes. Ze weet: humor breekt altijd het ijs. De meeste jongeren kent ze
bij naam. En zij haar. Ze is één van de waardevolle buurtbewoners op wie
Woonbron altijd een beroep kan doen als er iets moet worden georganiseerd in de
wijk. Zelf heeft de Surinaamse er ook geen moeite mee om iemand om hulp te
vragen. Als de computer kuren heeft, schakelt ze de bovenbuurman in; als er
zware meubelen moeten worden verschoven, klopt ze bij iemand anders aan. En iedereen staat altijd klaar. Omdat ze het vriendelijk en respectvol vraagt. Zij
vindt dat de normaalste zaak van de wereld: ‘Je moet uiteindelijk allemaal door
één deur, dus je kunt maar beter zorgen dat je het gezellig hebt met elkaar.’
Ze woont al 33 jaar aan de Chopinlaan. Ze dacht er de rest van haar leven door
te brengen, maar ze gaat nu toch weg. Terug naar haar geboorteland. Vroeger
ging ze er elk jaar drie maanden naartoe, in de winter. Tegenwoordig is het
wettelijk toegestaan om maximaal vier weken daar te zijn. Dat vindt ze te kort.
Zeker nu ze wat ouder wordt. De Nederlandse winters deprimeren haar. De kou
kruipt in haar botten en ze vreest de eenzaamheid van de oude dag. Heimwee
drijft naar terug naar Suriname, waar ze familie en vrienden heeft die haar
nodig hebben. Zonnig Suriname, waar de mensen vrolijk zijn en je met slechts een
aow-uitkering op een aangename manier oud kunt worden. Het is leuk om in een
wijk met allerlei culturen te wonen, maar tegen heimwee is geen kruid gewassen.
Zelfs na 33 jaar.
woensdag 5 februari 2014
vrijdag 26 april 2013
Met Pierre van Hauwe beleefde Delftse muziekonderwijs glorietijd
Het culturele leven stond in het na-oorlogse Delft op een laag pitje.
Muziekonderwijs was er wel, maar niet voor een breed publiek. De oprichting van
de Stedelijke Muziekschool bracht hier verandering in. Delft maakte in de jaren
zestig een enorme inhaalslag. Dankzij de bevlogen muziekpedagoog Pierre van
Hauwe liep Delft niet meer achter op het gebied van muziekonderwijs, maar werd
ze zelfs trendsetter.
In 2014 bestaat de Vrije Akademie,
Centrum voor de Kunsten 25 jaar. Een
generatie Delftenaren heeft aan de Westvest 9 haar creativiteit ontdekt of verder
ontwikkeld. Dit is ook de plek van waaruit al vele jaren cultuureducatie op de
Delftse basisscholen wordt verzorgd. Cultuureducatie bestond al voor de Tweede
Wereldoorlog, zij het niet in de uitgebreide vorm zoals we die nu kennen. Muziekonderwijs,
meer specifiek zangonderwijs, werd verzorgd door kerkmusici die verbonden waren
aan rooms-katholieke of protestantse kerken. In de praktijk kwam het erop neer
dat de kinderen tijdens de muzieklessen op school de liederen leerden die ze op
zondag werden geacht in de kerk te zingen, zoals psalmen, kerkliederen of gregoriaanse gezangen. Het muziekonderwijs bestond
verder uit muziektheorie. In rooms-katholieke kringen leerden de kinderen het
notenschrift aan de hand van de zogenoemde methode Ward, ontwikkeld door de Amerikaanse
muziekpedagoge Justine Bayard Ward (1879-1975). Het repertoire bestond uit
klassieke liederen, gregoriaanse gezangen en volksliedjes. Ward gebruikte de zogenoemde solmisatie, waarbij muziektonen
niet worden aangeduid als a, b, c,d,e, f
en g, maar als do (of ut), re, mi, fa, so(l), la, ti (si), do, en geschreven
werden met de cijfers van 1 tot 7, wat het zingen van bladmuziek zonder tekst
aanzienlijk vereenvoudigde. In Nederland was het Willem Gehrels (1985-1971) die
in de jaren dertig baanbrekend verrichtte op het gebied van muzikale vorming
van kinderen. Zijn methode was een van de eerste complete
didactische zangmethodes voor het onderwijs, die uitging van het zingen van
volksliederen en die streefde naar een algemene muzikale vorming van het kind. Ook
Gehrels solmiseerde op do, re mi, en hij gebruikte handgebaren voor de verschillende
tonen. Gehrels richtte in 1932 in Amsterdam de eerste Volksmuziekschool van
Nederland op. Ook Delft kreeg er één. Hier maakten kinderen kennis met wereldse
muziek: volksliedjes, volksdansjes, kampliedjes. Het was muziek die sterk werd
beïnvloed door de toenmalige socialistische ideeën over volksverheffing.
Begin jaren zestig kwam er een nieuwe muziekmethode bij: Spelen met Muziek, het geesteskind van Pierre van Hauwe (1920-2009). De jonge musicus trad in 1945 in dienst van de Sint-Hippolytuskerk aan de Voorstraat. Van daaruit verzorgde hij muziekonderwijs op R.K. lagere scholen en de huishoudscholen en ulo’s in de stad. Met leerlingen van de Delftse huishoudschool aan de Voorstraat richtte hij in 1946 het Delfts Madrigaalkoor op, dat internationale grote bekendheid kreeg. Van Hauwe werd in 1960 directeur van de Stedelijke Muziekschool Delft, het product van een fusie tussen de Delftse Volksmuziekschool en de in de jaren vijftig opgerichte Katholieke Muziekschool. De school, die meteen al 750 leerlingen telde (drie jaar later was dit aantal al gegroeid tot 1200), opende haar deuren aan de Gasthuislaan 206, in de voormalige Prinses Julianaschool. Vijfentwintig vakdocenten helpen mee de achterstand die in Delft op muzikaal terrein heerste, in te lopen. Omdat het Delftse gemeentebestuur het muziekonderwijs uit ideële overwegingen zwaar subsidieerde, en de tarieven bewust laag werden gehouden, was het muziekonderwijs toegankelijk voor een zeer brede laag van de bevolking.
Muziekles op school
Ook voor muziekonderwijs op school kwam meer aandacht. Het gemeentebestuur besloot in 1962 dat leerlingen van de vijfde en zesde klassen in het lager onderwijs voortaan muziekonderwijs moesten krijgen van vakkrachten. Elke klas kreeg tien lesuren per jaar. Door deze maatregel werd Delft de eerste gemeente in ons land waar muzikale vorming zich uitstrekte tot alle lagere scholen. Docenten van de Stedelijke Muziekschool bezochten, gewapend met bandrecorders en platenspelers en later ook de Orff-instrumenten, de Delftse scholen om op locatie muziekles te geven: muziek luisteren, muziek maken, muziektheorie. Later werd het lesprogramma uitgebreid. Hoogtepunt van het muzikale schooljaar was de befaamde Volkszangdag, waaraan zo´n tweeduizend leerlingen van de hoogste klassen van de lagere school deelnamen. Ze verzamelden zich op de Delftse Markt om met muzikale ondersteuning van het harmonieorkest van de Kabelfabriek, later van de Gist- en Spiritusfabriek (de latere Koninklijke Harmoniekapel Delft), van tevoren op school ingestudeerde liedjes te zingen. Een soort scratch avant la lettre. Een hele generatie Delftenaren denkt nog wel eens met weemoed terug aan deze avonden waarop liedjes als ‘Gouden Zonne’, ‘Hertog Jan’, of ‘Hoort de muzikanten’ meerstemmig over de oude binnenstad klonken.
Spelen met Muziek
Van Hauwe had heel specifieke ideeën
over muziekonderwijs. Hij vond dat de wijze waarop muziekonderwijs werd gegeven
niet mocht worden overgelaten aan de kundigheid en willekeur van de docent. Er
moest methodisch muziekonderwijs komen, en wel volgens een methode die hij zelf
had ontwikkeld: Spelen met Muziek.
Van Hauwe had zich hiervoor laten inspireren door de Hongaarse muziekpedagoog Zoltán
Kodály en de Duitse musicus Carl Orff. Alle kleuter- en lagere scholen (en
later de basisscholen) in Delft gebruikten tot ver in de jaren negentig deze
methode in de lessen Algemene Muzikale Vorming (AMV). Na het succesvol
doorlopen van de driejarige AMV - een cursus van de muziekschool waarvoor
ouders apart moesten betalen - konden leerlingen doorstromen naar de
muziekschool, waar ze een instrument leerden bespelen. Van Hauwe’s methode was
baanbrekend. Veel Nederlandse gemeenten volgden het Delftse voorbeeld en ook
het buitenland bleek zeer geïnteresseerd. Om te laten zien en horen wat er met zijn
methode kon worden bereikt, maakte Van Hauwe regelmatig internationale
concertreizen met zijn muziekschoolorkesten. Pedagogisch uitgangspunt
in deze orkesten was dat iedere muziekschoolleerling vanaf AMV-leeftijd tot
jong volwassene op ieder niveau van muzikale ontwikkeling een plaats kon
krijgen in een muziekschoolorkest dat voor een groot deel bestond uit typische
Orff-instrumenten (klokkenspel, xylofoon, pauken, trommels, en andere
percussie-instrumenten). Strijkers en blazers kregen orkestpartijen op hun
eigen niveau. Een groot blokfluitkoor in
4- of 5-stemmige zetting was een vaste kern in deze orkesten.Vrije Akademie
De Stedelijke Muziekschool groeide door en werd uitgebreid met andere disciplines, zoals dans en handvaardigheid. Door fusies met de Hazelhorstschool voor handenarbeid en vrije expressie en de stedelijke balletschool werd het als Kreativiteitscentrum, later Vrije Akademie, Centrum voor de Kunsten (VAK), mogelijk een breed pallet aan creativiteitscursussen aan te bieden voor kinderen en volwassenen. Dat gebeurde aanvankelijk vanuit het voormalige Zusterhuis aan de Koornmarkt, met dependances op verschillende locaties in de stad. In 1989 verhuisde de VAK naar de Westvest 9. Daar werden alle disciplines gebundeld en werd er een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de geschiedenis van de cultuureducatie in Delft.
Dit artikel is eerder verschenen in Delf, een uitgave van Erfgoed Delft e.o.
zie ook www.pierrevanhauwe.org
Bij ons aan de Chopinlaan: Niet klein te krijgen
Onverwachte tegenslagen en verkeerde inschattingen kunnen een mens
lelijk in de problemen brengen. Soms moet
je leren ‘help’ te roepen als dingen dreigen mis te gaan.
Ze was 24 jaar toen ze van Den Haag
verhuisde naar Delft. Dolblij met haar ruime woning aan de Chopinlaan.
Eindelijk wat meer woon- en leefruimte voor zichzelf en haar twee kleine
kinderen. Maar ze kon haar draai niet vinden. Ze kende er niemand. Ze had geen
werk. De problemen stapelden zich op. Ze maakte schulden. Ze werd een vaste
klant bij de voedselbank. Ze dreigde haar woning kwijt te raken. Achteraf was
dat een zegen, want zo kwam ze bij de Financiële Winkel van de gemeente Delft terecht.
Het werd een keerpunt in haar leven. Deze vrouw was niet gewend mensen lastig
te vallen met persoonlijke problemen. Die hield je voor je, of loste je zelf
op. Dat er instanties zijn die je belangeloos helpen, daarvan had ze geen idee.
Ze had het veel te druk met overleven. Het gaat nu weer goed met de Surinaamse.
De schulden zijn afbetaald. Via het Werkplein heeft ze werk gevonden in de
thuiszorg. Ze is bezig met het opzetten van een gastouderproject. Woonbron
helpt haar de flat op te fleuren. Ze heeft haar schroom overwonnen en stapt
tegenwoordig overal op af. ‘Ik heb gemerkt dat het helemaal niet erg is om mensen
om hulp te vragen. En ik ben ook niet meer bang om bij de gemeente aan te
kloppen.’ Ze gaat ook niet langer anoniem door het leven. Ze heeft een leuk
contact met andere ouders die ze ontmoet op het schoolplein van De Horizon en
ze is vrijwilliger bij de Playground. ‘Als ik nu over straat loop, zeggen veel
mensen hoi tegen me. Ik voel me hier nu thuis.’ Haar ogen stralen. Hier staat
een mooie, sterke vrouw. Die krijg je niet meer klein.
Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft
Bij ons aan de Chopinlaan: Een veilige buurt
Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft.
Bij ons aan de Chopinlaan: Winterslaap
Een paar weken geleden leek het even
voorjaar: overal krokussen en narcissen, fluitende vogeltjes en vooral een heerlijk
zonnetje dat de natuur weer tot leven brengt. Maar niet alleen de natuur…
Ik was thuis, en ik hoorde een
irritant geluid dat ik niet kon lokaliseren. Het was niet mijn mobiele telefoon,
geen wekker of andere elektronica. Geen inbraakalarm. Ik werd er gek van. Ten
einde raad belde ik de complexbeheerder van Woonbron. Hij kwam langs en spitste
de oren. Gelukkig hoorde hij het ook, ik was even bang dat ik het me
verbeeldde. Hij doorzocht het hele huis. Hij ging bij de buren langs. Zelfs bij
de boven- en benedenburen. Merkwaardig, daar had niemand het geluid gehoord. Daar
kwam het geluid dus zeker niet vandaan. Toen ineens was het geluid verdwenen. Doodse
stilte. De complexbeheerder kon verder weinig doen en vertrok. “Als u het weer
hoort, moet u maar weer bellen”, zei hij voor hij de deur achter zich dicht
trok. ’s Nachts bleef het stil. Maar de volgende dag begon het weer. Ik hing
meteen aan de telefoon. “Dat geluid, het is er weer.” Dit keer kwam de
complexbeheerder niet alleen, hij had zijn collega van sociaal beheer bij zich.
Weer doorzochten ze de woning. Niets. Toevallig
viel hun oog op een pop in de vensterbank. “Wat een leuke beer”, zei de sociaal
beheerder, en tilde de Winnie de Pooh van mijn zoontje op. Stilte. “Horen jullie het ook? Het geluid is weg.”
Ze zette de pop weer terug in de vensterbank, die baadde in zonlicht. En ja
hoor, daar wàs de piep weer. Het blijkt dat Winnie de Pooh is voorzien van een
zonne-energie cel. Als deze oplaadt, gaat Winnie’s kop op en neer en gaat hij
piepen. De lentezon had Winnie uit zijn winterslaap ontwaakt. Misschien moeten
we Winnie opereren. Maar voorlopig woont hij ergens in de schaduw. En zwijgt. Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft
Bij ons aan de Chopinlaan: Carrièreswitch
Iedere
jongen wil profvoetballer worden. Heel af en toe komt die droom uit. Zoals bij
de jongeman die tegenover me zit. Sportief gekleed, een atletisch lichaam, een
vriendelijke glimlach. Maar ik ontmoet hem niet in de kantine van ADO Den Haag.
We zitten in de bibliotheek van basisschool De Horizon, en straks gaat hij weer
aan het werk op de Playground. Een verkeerde beweging op het voetbalveld maakte
een einde aan zijn carrière als profvoetballer. Gescheurde kruisbanden. Heracles
Almelo had onvoldoende vertrouwen in zijn herstel. En zo keerde hij, een
illusie armer, weer terug naar de Gillisbuurt, waar hij zijn jeugd had
doorgebracht. Geen werk, geen diploma, geen toekomst, en misschien nog wel het
ergste van alles: geen hoop. De Schoolmate op De Horizon zag het met lede ogen
aan en kreeg een idee. Hij was toch zo sportief? Bij de Playground waren activiteitenbegeleiders
nodig. Was dat iets voor hem? Vrijwilligerswerk, dat wel. Maar, als het goed
ging, en als hij voldoende uren zou maken, kwam hij in aanmerking voor een studiebeurs
van de Richard Krajicek Foundation (RKF). Hij hapte toe. Drie keer per week was
hij op de Playgrond te vinden. Hij kreeg kids die anders maar op straat
rondhingen aan het sporten, en ze ontdekten hoe leuk dat is. Zijn enthousiasme
groeide met de dag. Het leven kreeg waarempel weer zin. Nu doet de
oud-profvoetballer met een beurs van de RKF een opleiding voor beveiliger. Hij studeert
bovendien voor sportleider en hij is bezig om zijn diploma pupillentrainer te
halen bij de KNVB. Zijn toekomst ligt weer in de sportwereld. ‘Je moet de
kansen grijpen die je worden toegeworpen. Er lopen veel jongeren met hun ziel
onder hun arm. Ik hoop dat ik hen kan motiveren om door te gaan, niet op te
geven.’ Ongelooflijk wat één ontmoeting voor verschil kan maken. Geef mij ook
zo’n Schoolmate!
Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft
Labels:
ADO Den Haag,
column,
De Horizon,
Delft,
Delft op Zondag,
Playground,
profvoetballer,
Richard Krajicek Foundation,
Schoolmate,
Trudy van der Wees,
voetbal,
Woonbron
Bij ons aan de Chopinlaan: Welkom Buren!
Verhuizen is spannend. Tussen welke mensen kom je te wonen?
En hoe leg je op een ontspannen manier contact met je nieuwe buren?
In Nederland is het de
gewoonte dat nieuwe buren zich komen voorstellen. Daarna ga je eens bij elkaar
op de koffie en voor je het weet geef je elkaars plantjes water tijdens
vakanties. Elk land heeft zo zijn eigen tradities op dit gebied. De Nederlander
verwacht dat de nieuwe buren aanbellen, in Turkije is het gebruikelijk dat de nieuwe bewoners hartelijk
worden ontvangen. Buren bieden hun hulp
aan, brengen iets te eten of drinken. Als dat niet gebeurt, is dat pijnlijk.
De nieuwkomer voelt zich dan niet geaccepteerd. Tja, je moet het maar weten.
Toen een Turks gezin in de Gillisbuurt kwam wonen, stonden er geen buren klaar
om hen welkom te heten. Ze voelden zich overduidelijk niet welkom en klaagden
erover bij de complexbeheerder. Die kende echter ook de andere kant van het
verhaal. De Nederlandse buren óók boos. Waarom waren de nieuwkomers zich niet
komen voorstellen? Ook zij voelden zich niet prettig met deze anonimiteit en
hadden hierover hun beklag gedaan bij de complexbeheerder. Die stelde voor dat zij
alsnog het initiatief zouden nemen. Geen sprake van: het initiatief moest komen
van de nieuwkomers. De Turkse buren waren evenmin bereid hun trots in te slikken.
Zo had de irritatie nog lang kunnen duren. Op zulke momenten begin je te begrijpen
waarom aan sommige conflicten in de wereld nooit een einde komt. De
complexbeheerder gaf niet op en bleef met beiden in gesprek. Uiteindelijk heeft
de Nederlandse familie de eerste stap gezet en aangebeld bij de buren. Ze
legden uit dat er sprake was van een misverstand. Het ijs was gebroken. Ze
mochten meteen aanschuiven voor een Turkse maaltijd. Sindsdien leven de buren vredig
samen. Volgende keer een lekkere Hollandse stamppot na een slopende verhuisdag?
Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft
Abonneren op:
Posts (Atom)