vrijdag 26 april 2013

Bij ons aan de Chopinlaan: Een veilige buurt


 Voor vluchtelingen is de Chopinlaan thuis in den vreemde. Velen moesten hun land ontvluchten omdat ze zich bedreigd voelden. Hier zijn ze veel veiliger. Maar niet iedereen heeft dat door.
Een galerij vol fietsen, brommers, scooters, kinder- en winkelwagens. Het is een rotgezicht en ze versperren de doorgang. Gevaarlijk! De complexbeheerders wijzen bewoners hier voortdurend op, maar sommige mensen zijn hardleers. Neem nou die Irakees, die maar liefst drie fietsen voor zijn deur had staan. Hij was er niet toe te bewegen om ze op te bergen in de kelder. Ineens kreeg de complexbeheerder een lumineus idee. Hij legde de man uit wat er zou gebeuren als er brand uitbrak. Wat als de brandweer niet op tijd bij zijn woning kon komen, waar zijn kind lag te slapen? ‘Dan is het de schuld van de hulpverlener’, antwoordde de Irakees. ‘Nee, dan is het jouw schuld. Jij hebt die fietsen niet weggehaald.’ Eindelijk begon het bij de man te dagen: hij was verantwoordelijk voor zijn eigen veiligheid. Maar opbergen in de kelder, nee, dat zou helaas niet gaan. Hij liet zien wat er allemaal in stond: enorme hoeveelheden mondvoorraad en schoonmaakmiddelen, genoeg om het maanden mee uit te houden. Wat bleek? Meneer had de eerste en tweede golfoorlog meegemaakt. Hij was niet anders gewend dan te leven in een oorlogssituatie. Je moest altijd op het ergste voorbereid zijn. De man is weliswaar gevlucht naar een veilig land, maar - om Marco Borsato te citeren - de oorlog is nog niet uit zijn hoofd. Mag deze getraumatiseerde man zijn fietsen dan wel op de galerij zetten? Zeker niet, maar als je zijn achtergrond kent kun je hem misschien helpen. Je kunt meer begrip voor hem opbrengen en hem proberen ervan te overtuigen dat hamsteren niet nodig is. Dit is Delft. De Lidl is om de hoek. De schappen zijn altijd vol.

Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft.

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Winterslaap


Een paar weken geleden leek het even voorjaar: overal krokussen en narcissen, fluitende vogeltjes en vooral een heerlijk zonnetje dat de natuur weer tot leven brengt. Maar niet alleen de natuur…
Ik was thuis, en ik hoorde een irritant geluid dat ik niet kon lokaliseren. Het was niet mijn mobiele telefoon, geen wekker of andere elektronica. Geen inbraakalarm. Ik werd er gek van. Ten einde raad belde ik de complexbeheerder van Woonbron. Hij kwam langs en spitste de oren. Gelukkig hoorde hij het ook, ik was even bang dat ik het me verbeeldde. Hij doorzocht het hele huis. Hij ging bij de buren langs. Zelfs bij de boven- en benedenburen. Merkwaardig, daar had niemand het geluid gehoord. Daar kwam het geluid dus zeker niet vandaan. Toen ineens was het geluid verdwenen. Doodse stilte. De complexbeheerder kon verder weinig doen en vertrok. “Als u het weer hoort, moet u maar weer bellen”, zei hij voor hij de deur achter zich dicht trok. ’s Nachts bleef het stil. Maar de volgende dag begon het weer. Ik hing meteen aan de telefoon. “Dat geluid, het is er weer.” Dit keer kwam de complexbeheerder niet alleen, hij had zijn collega van sociaal beheer bij zich.  Weer doorzochten ze de woning. Niets. Toevallig viel hun oog op een pop in de vensterbank. “Wat een leuke beer”, zei de sociaal beheerder, en tilde de Winnie de Pooh van mijn zoontje op. Stilte. “Horen jullie het ook? Het geluid is weg.” Ze zette de pop weer terug in de vensterbank, die baadde in zonlicht. En ja hoor, daar wàs de piep weer. Het blijkt dat Winnie de Pooh is voorzien van een zonne-energie cel. Als deze oplaadt, gaat Winnie’s kop op en neer en gaat hij piepen. De lentezon had Winnie uit zijn winterslaap ontwaakt. Misschien moeten we Winnie opereren. Maar voorlopig woont hij ergens in de schaduw. En zwijgt.

Trudy van der Wees

Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Carrièreswitch


Iedere jongen wil profvoetballer worden. Heel af en toe komt die droom uit. Zoals bij de jongeman die tegenover me zit. Sportief gekleed, een atletisch lichaam, een vriendelijke glimlach. Maar ik ontmoet hem niet in de kantine van ADO Den Haag. We zitten in de bibliotheek van basisschool De Horizon, en straks gaat hij weer aan het werk op de Playground. Een verkeerde beweging op het voetbalveld maakte een einde aan zijn carrière als profvoetballer. Gescheurde kruisbanden. Heracles Almelo had onvoldoende vertrouwen in zijn herstel. En zo keerde hij, een illusie armer, weer terug naar de Gillisbuurt, waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Geen werk, geen diploma, geen toekomst, en misschien nog wel het ergste van alles: geen hoop. De Schoolmate op De Horizon zag het met lede ogen aan en kreeg een idee. Hij was toch zo sportief? Bij de Playground waren activiteitenbegeleiders nodig. Was dat iets voor hem? Vrijwilligerswerk, dat wel. Maar, als het goed ging, en als hij voldoende uren zou maken, kwam hij in aanmerking voor een studiebeurs van de Richard Krajicek Foundation (RKF). Hij hapte toe. Drie keer per week was hij op de Playgrond te vinden. Hij kreeg kids die anders maar op straat rondhingen aan het sporten, en ze ontdekten hoe leuk dat is. Zijn enthousiasme groeide met de dag. Het leven kreeg waarempel weer zin. Nu doet de oud-profvoetballer met een beurs van de RKF een opleiding voor beveiliger. Hij studeert bovendien voor sportleider en hij is bezig om zijn diploma pupillentrainer te halen bij de KNVB. Zijn toekomst ligt weer in de sportwereld. ‘Je moet de kansen grijpen die je worden toegeworpen. Er lopen veel jongeren met hun ziel onder hun arm. Ik hoop dat ik hen kan motiveren om door te gaan, niet op te geven.’ Ongelooflijk wat één ontmoeting voor verschil kan maken. Geef mij ook zo’n Schoolmate!
Trudy van der Wees
Deze column is eerder verschenen in  Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft

 

Bij ons aan de Chopinlaan: Welkom Buren!


 
Verhuizen is spannend. Tussen welke mensen kom je te wonen? En hoe leg je op een ontspannen manier contact met je nieuwe buren?                      
In Nederland is het de gewoonte dat nieuwe buren zich komen voorstellen. Daarna ga je eens bij elkaar op de koffie en voor je het weet geef je elkaars plantjes water tijdens vakanties. Elk land heeft zo zijn eigen tradities op dit gebied. De Nederlander verwacht dat de nieuwe buren aanbellen, in Turkije  is het gebruikelijk dat de nieuwe bewoners hartelijk worden ontvangen. Buren bieden hun hulp aan, brengen iets te eten of drinken. Als dat niet gebeurt, is dat pijnlijk. De nieuwkomer voelt zich dan niet geaccepteerd. Tja, je moet het maar weten. Toen een Turks gezin in de Gillisbuurt kwam wonen, stonden er geen buren klaar om hen welkom te heten. Ze voelden zich overduidelijk niet welkom en klaagden erover bij de complexbeheerder. Die kende echter ook de andere kant van het verhaal. De Nederlandse buren óók boos. Waarom waren de nieuwkomers zich niet komen voorstellen? Ook zij voelden zich niet prettig met deze anonimiteit en hadden hierover hun beklag gedaan bij de complexbeheerder. Die stelde voor dat zij alsnog het initiatief zouden nemen. Geen sprake van: het initiatief moest komen van de nieuwkomers. De Turkse buren waren evenmin bereid hun trots in te slikken. Zo had de irritatie nog lang kunnen duren. Op zulke momenten begin je te begrijpen waarom aan sommige conflicten in de wereld nooit een einde komt. De complexbeheerder gaf niet op en bleef met beiden in gesprek. Uiteindelijk heeft de Nederlandse familie de eerste stap gezet en aangebeld bij de buren. Ze legden uit dat er sprake was van een misverstand. Het ijs was gebroken. Ze mochten meteen aanschuiven voor een Turkse maaltijd. Sindsdien leven de buren vredig samen. Volgende keer een lekkere Hollandse stamppot na een slopende verhuisdag?

Trudy van der Wees

Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft





woensdag 20 juni 2012

Kees Chardon en de Joodse kinderen

In het voorjaar van 2005 kwam er op de redactie van de Delftsche Courant een telefoontje binnen. Een oudere dame wilde een berichtje plaatsen, een oproep. In eerste instantie wilde ik haar doorverwijzen naar de advertentie-afdeling, maar ik vroeg voor alle zekerheid nog even door. De dame in kwestie was Margreet de Bruijn-Chardon, de enige nog levende zus van de Delftse verzetstrijder Kees Chardon. Naarmate ze ouder werd, vertelde ze me, begon ze zich af te vragen wat er toch was gebeurd met al die Joodse kinderen die in hun huis aan de Spoorsingel waren geweest. Soms maar één nachtje. Hadden ze de oorlog overleefd, waren de inspanningen van haar broer, die hij met de dood had moeten bekopen, niet voor niets geweest? Of ik een oproep kon plaatsen waarin ik mensen uitnodigde zich te melden.

Ik rook een prachtig verhaal, en wist Margreet ervan te overtuigen dat een oproepje niet voldoende zou zijn. Er moest een interview komen! Margreet stribbelde tegen, maar stemde uiteindelijk in. Daags voor het interview belde ze op om af te zeggen. Ze had niets te melden, ze wilde niet te veel aandacht en ze zag op tegen de emoties die ongetwijfeld zouden loskomen. Het lukte me om Margreet op andere gedachten te brengen. Gelukkig maar. Na publicatie van het artikel kwamen er telefoontjes binnen. Van mensen die zich enkele van de kinderen herinnerden, van mensen die me verder op weg konden helpen bij het vinden van deze mensen of wisten te vertellen dat ze waren overleden of gemigreerd naar de Verenigde Staten of Israel. In die dagen gaven mijn collega's mij de bijnaam 'Redactie Spoorloos'. Op een dag meldde Maria Brix zich hoogstpersoonlijk. Ze introduceerde zich met: ‘Ik ben het meisje met het klompvoetje’.  Later wist ik dankzij Marianka van Lunteren-Spanjaard, die veel over de Joodse gemeente in Delft heeft geschreven, Rob Hompes te traceren. Zowel Maria als Rob wilden graag in contact komen met Margreet Chardon. En zo vond in de zomer van 2005, zestig jaar na de dood van Kees Chardon, bij Marianka van Lunteren-Spanjaard een zeer bijzondere en emotionele ontmoeting plaats.

In de jaren daarna bleef het verhaal van de Joodse kinderen me fascineren. Hoe was het deze mensen in hun verdere leven vergaan? Wat voor invloed heeft de onderduikperiode gehad op hun verdere leven en hun identiteit? Ik besloot Maria Brix en Rob Hompes op te zoeken en heb hen gevraagd me hun levensverhaal te vertellen. Dit heeft geresulteerd in twee verhalen op deze blog. Het derde verhaal gaat over Judi Levit-Klok, een nichtje van Maria Brix, Haar ouders overleefden weliswaar de oorlog, toch voelt Judi zich ‘slachtoffer’.

Plaquette
Terwijl ik bezig was de oral history van Maria, Rob en Judi op te tekenen, gebeurde er nog iets anders opmerkelijks. De huidige bewoner van Spoorsingel 28, Chris Vervoort, zocht contact met me. Hij was onder de indruk van het verhaal achter zijn woning  en had de artikelen gelezen over de Joodse kinderen. Hij vond dat er een plaquette moest komen op de gevel van het huis. Die is er dankzij hem gekomen. Een prachtige plaquette van de hand van de Delftse Loes Kouwenhoven. Op 10 juli 2011 werd de gedenkplaat onthuld door Margreet de Bruijn-Chardon en de Delftse wethouder van cultuur Milène Junius. Onder de aanwezigen waren ook Maria Brix en Rob Hompes. Rob had bloemen meegenomen, en hield een korte toespraak. Ook waren er oude verzetskameraden en studievrienden die herinneringen ophaalden en eer bewezen aan hun op 20 april 1945 in concentratiekamp Wöbelin omgekomen kameraad.






En zo kwam er een bijzonder einde aan een heel bijzonder journalistiek project, toevalligerwijs ook één van de laatste grote verhalen die ik voor de Haagsche/Delftsche Courant schreef. Kort daarna heb ik de krant verlaten en ben ik als tekstschrijver andere wegen gaan bewandelen. Dikwijls word mij gevraagd welke verhalen in mijn 20-jarige carrière als dagbladjournalist de meeste indruk op me hebben gemaakt. Dit is er één van, met name door de ontwikkelingen die erop volgden. Ik dank iedereen voor hun medewerking hierin, en voor hun vertrouwen.


Trudy van der Wees
Juni 2012

Een bewogen leven als oorlogswees

Een slecht jaar, noemt Rob Hompes 1943. De Jodenvervolging is in volle gang. Rob wordt op 18 maart 1943 geboren in de Muiderstraat 15 in Amsterdam. Zijn vader is al in oktober 1942 opgepakt en – zou later blijken - in februari 1943 in Auschwitz omgebracht. Zijn moeder en twee oudere broertjes worden op 20 juli 1943 opgepakt en naar Sobibor gedeporteerd en aldaar vergast. Rob overleeft de oorlog omdat het ondergronds verzet ervoor zorgt dat hij kort na zijn geboorte wordt opgenomen in het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis, vanwege een voedselstoornis en luieruitslag. De baby wordt door verzetsmensen uit het ziekenhuis gesmokkeld. Het kindje verblijft steeds korte tijd op allerlei onderduikadressen, die achteraf niet meer te achterhalen zijn. Uiteindelijk komt hij in Delft terecht bij de Delftse verzetsman Kees Chardon. Deze regelt een definitief onderduikadres bij de rooms-katholieke familie Jongeleen aan de Gasthuislaan 168. Daar komt Rob op 29 juli 1943 in huis.

“Louis Jongeleen was een sociaal bewogen en zeer invoelend mens”, vertelt Rob. “Hij heeft me altijd als zijn eigen zoon beschouwd en behandeld. Ik wist niet beter of mijnheer en mevrouw Jongeleen waren mijn ouders.” Toen Rob een jaar of zes was, hoorde hij de waarheid. Na de oorlog werd de Nederlandse samenleving geconfronteerd met een groot aantal Joodse oorlogsweeskinderen. De door de overheid opgerichte stichting OPK (OorlogsPleegKinderen) en de Joodse Voogdijraad (later de stichting Le-Ezrath-Hajeled) waren het aanvankelijk niet met elkaar eens over de vraag wie verantwoordelijk was voor deze kinderen en hoe zij moesten worden opgevoed. De Joodse Voogdijraad wilde dat ze in een Joodse omgeving, bijvoorbeeld bij een Joods gezin of familie of in een Joods tehuis zouden opgroeien. De OPK vond dat je de kinderen niet moest weghalen bij hun (niet-Joodse) pleegouders. De stichting Le-Ezrath-Hajeled, die was belast met het regelen van de voogdij over Joodse oorlogskinderen, zag het liefst dat Rob zou worden geplaatst in een Joods gezin. “Ik was toen nog heel klein, maar ik wist al wel heel goed dat ik dat niet tot elke prijs wilde.” Er werd besloten tot een andere aanpak. “Ik mocht bij de familie Jongeleen blijven, maar het moest wel duidelijk worden dat ik Joods was. Ik moest weer Robert Israël Hompes gaan heten. Om die overgang makkelijker te maken werd ik eerst Louis Hompes genoemd. Dat was toen ik van de katholieke nonnenschool naar de derde klas van de openbare lagere school ging. Ik vond het raar, want ik had altijd Louis (Laurens Nicolaas) Jongeleen geheten, naar mijn pleegvader. Wat het nog vervelender maakte, was dat ik vanaf dat moment door schoolkinderen werd uitgemaakt voor Jodenjong. Ik werd enorm gepest.”

Bar mitswa
Na de oorlog ondernam een zus van Robs vader, maar vooral haar man, een vergeefse poging om de voogdij over haar neefje te krijgen. Rob voelde daar niets voor. In 1950 deed de rechter een uitspraak: Rob mocht onder bepaalde voorwaarden bij de familie Jongeleen blijven. Wel moest de Joodse opvoeding ter hand worden genomen met Joodse les en het doorbrengen van vakantie en Joodse feestdagen bij zijn oom en tante. De stichting Le-Ezrath-Hajeled drong er namelijk op aan dat Joodse kinderen betrokken zouden blijven bij de Joodse opvoeding en cultuur Hoewel Rob tijdens de oorlog, waarschijnlijk uit lijfsbehoud, katholiek was gedoopt, deden zijn pleegouders geen enkele poging om hem katholiek te maken. Wel ging Rob op zondag met zijn pleegouders ouders naar de hoogmis in de Maria van Jessekerk, maar daarna namen zijn vader en hij de tram naar Den Haag voor Joodse les. “In die periode ben ik bar mitswa geworden. De feestelijke lunch ter gelegenheid van mijn bar mitswa vond plaats bij een directe neef van mijn eigen vader, in Den Haag.”

Gelukkig in Den Haag
Deze neef zou een belangrijke rol gaan spelen in Robs leven. Toen zijn pleegouders ernstige huwelijksproblemen kregen en de situatie thuis onhoudbaar werd, nam hij de 14-jarige Rob in huis. “In het huis van mijn oom waren twee dochters waar ik qua leeftijd precies tussenin viel, en met wie ik graag optrok. Ik ben er vijf jaar in huis geweest, tot mijn negentiende.” Bij de Haagse familie kwam Rob terecht in een van oorsprong Joods-orthodox milieu. Echter, de ontberingen van de oorlogsjaren hadden zijn (oud)oom (advocaat van beroep) zijn geloof in een God doen verliezen. Hij was samen met een groot aantal toonaangevende Nederlanders in kamp Sint-Michelsgestel en later in Buchenwald geïnterneerd geweest. De Joodse sfeer proefde Rob tijdens de kampweken van Haboniem, de Socialistische Zionistische Joodse Jeugdbeweging. “Aan Haboniem heb ik vrienden overgehouden, onder anderen Awraham Soetendorp, tot 2008 rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag. We waren tien jaar toen we elkaar leerden kennen.”

Telkens weer opnieuw beginnen
Na zijn middelbare school ging Rob, negentien jaar oud, economie studeren in Rotterdam. Hij ging op kamers wonen. Eenmaal teruggeworpen op zichzelf klopte het verleden aan zijn deur. “Het eerste jaar ging prima. Ik genoot van het studentenleven. Maar toen ik op mezelf kwam te wonen had ik ineens tijd om na te denken, dingen te verwerken. Voor die tijd waren er zoveel dingen die ik moest. Ineens viel er een leegte, en die vulde zich met gedachten. Mijn derde en vierde studiejaar heb ik niet veel uitgevoerd. Ik had de beschikking over wat geld, dat was overgebleven uit het faillissement van het bedrijf van mijn (groot)vader. Daarvan heb ik mijn studie betaald en kon ik van leven. Ik ben er later trouwens achter gekomen dat ik mijn hele leven alle rekeningen voor mijn levensonderhoud en opleiding zelf heb betaald van het geërfde kapitaal.” De problemen begonnen in de zomer van 1964, toen zijn oom uit Den Haag overleed. “Zijn dood was een groot verlies voor mij. We hadden in vijf jaar een warme, hechte band opgebouwd. Hij vond het fijn naast zijn twee dochters er een zoon bij te hebben gekregen. Ik voelde me echt lid van het gezin. Ik had weer familie. Toen hij stierf kwam er veel verdriet boven. Verdriet over telkens weer afscheid nemen: van mijn eigen ouders, van mijn pleegvader, van mijn oom. Telkens weer breken en opnieuw beginnen.”

Kibboets
Na zijn afstuderen, in 1971, besloot Rob officieel te emigreren naar Israel. “Ik was er in mijn studententijd een viertal keren uitgebreid geweest, had in een kibboets gewerkt. Het leek een logische stap. Maar het was weer een afscheid, weer een nieuw begin. Dat heb ik niet kunnen en willen bolwerken. Na een half jaar was ik weer terug in Nederland. Ik ben weer teruggegaan naar mijn tante/pleegmoeder in Den Haag, die me wel heeft opgevangen, maar geen oog had voor mijn emotionele problemen. Ik ben meteen via een uitzendbureau gaan werken als postbode bij het ministerie van Justitie. Dat verdiende het meest! Ik vond een kamer en ben gaan solliciteren. In augustus 1972 kon ik aan de slag bij het computercentrum van Nationale Nederlanden.”

Stevige Joodse wortels
In diezelfde periode ontmoette Rob zijn vrouw. Haar ouders waren lichamelijk en geestelijk getraumatiseerd teruggekeerd uit Bergen-Belsen. Haar jeugd werd overschaduwd door hun verleden. “Het was belangrijk voor mij dat ik een partner vond met een Joods verleden. Door mijn opvoeding, door mijn verblijf in Israel, het werk in de kibboets en mijn lidmaatschap van Haboniem had ik stevige Joodse wortels gekregen. In Joodse kringen voelde ik me thuis. Elders had ik toch altijd het gevoel dat ik er niet mocht zijn.” Uiteindelijk is de Joodse religie en cultuur een belangrijke rol blijven spelen in zijn leven. Rob is vele tientallen jaren actief geweest binnen de Liberale Joodse Gemeenschap van Den Haag en daarbuiten, bijvoorbeeld een Joods bejaardenhuis. “Ik wilde iets terugdoen voor de Joodse gemeenschap omdat ik me binnen die kring hervonden had. Ik wilde mijn kennis op mijn vakgebied ten dienste stellen van de opleving van de Joodse gemeente in Nederland.” Rob voelt zich nu Joodser dan ooit. “Het zit diep geworteld in mijn leven. Waar we ook woonden, we hebben de Joodse religie en cultuur altijd bewust opgezocht. Mijn vrouw en ik vinden het belangrijk dat ook onze kinderen zich bewust zijn van hun Joodse roots. En we zijn blij dat onze beide kinderen allebei Joodse partners hebben.”

Het verleden is nooit ver weg
Ondanks de moeizame start kan Rob terugkijken op een geslaagd leven, een goed huwelijk met ups en downs en een gezin waar hij zeer trots op is. Na zijn studie economie ging hij de automatisering in, het vak van de toekomst. Hij studeerde af bij Max Euwe. Het grootste deel van zijn werkzame leven was hij in dienst bij Shell, waar hij diverse financiële functies vervulde in binnen- en buitenland. De worsteling met zijn identiteit is voorbij, maar het verleden speelt nog regelmatig op. “Ik heb geprobeerd de mate waarin mijn verleden mijn heden beïnvloedt, te beperken. Zo van: nu moet ik maar weer door. Toch zeg ik altijd: de oorlog is voor mij nooit afgelopen. Ik word er bijvoorbeeld mee geconfronteerd in de vragen die mijn kinderen me soms stellen. Het verleden speelt op elk moment van ons leven nog steeds een rol. Je kunt het verwerkt hebben, je weet ermee te leven, maar het verdwijnt nooit. Er hoeft zich maar een klein voorval voor te doen en je gedachten gaan weer terug naar het verleden. In die zin ben ik een oorlogsslachtoffer. De oorlog heeft me mijn ouders en mijn broers afgenomen, maar ook een gedeelte van mijn jeugd.”

Tekst: Trudy van der Wees
© Copyright Rob Hompes

zaterdag 31 december 2011

In een spagaat tussen twee werelden



Judi Klok-Levit (1944) is het nichtje van Maria Brix Dresden). In tegenstelling tot Maria overleefden haar ouders de oorlog. Omdat haar Joodse vader was gehuwd met een niet-Joodse vrouw, werd hij vrijgesteld van deportatie naar de concentratiekampen. Desondanks heeft de oorlog diepe sporen nagelaten binnen het gezin. Als niet-Joodse is Judi nog steeds op zoek naar erkenning van haar Joodse wortels en traumatische verleden.

Mozes Levit en Martje Sjoukelina Levit-Telling leerden elkaar kennen op een toneelvereniging. Mozes was Joods, Martje gereformeerd. “Dat was een probleem”, vertelt Judi. “Een Joodse man en een niet-Joodse vrouw, die mochten niet met elkaar trouwen. Maar, ze móesten wel trouwen. Ze waren negentien jaar oud en er was een kind op komst. Aanvankelijk werd mijn moeder niet geaccepteerd in het Joodse milieu van mijn vader. Later nam ze steeds meer deel aan orthodox-joodse rituelen. Ze werd in haar doen en laten Joodser dan mijn vader. Bij ons thuis werd bijvoorbeeld nooit kerstfeest of sinterklaas gevierd. Wij vierden de Joodse feesten.”


Mozes Levit kwam uit Groningen en was voor de oorlog naar Dokkum verhuisd, een stad zonder Joodse gemeenschap. Mozes had geen werk en begon daarom een eigen bedrijf in lompen, oude metalen en antiek. De Duitsers lieten hem met rust omdat hij met een niet-Joodse vrouw was getrouwd. Mozes en Martje raakten betrokken bij het lokale verzet. In hun woning bivakkeerden geregeld onderduikers. “Dokkum was in die tijd niet zo groot. Er waren wel veel winkels. Mensen konden daar overdag niet onderduiken, alleen ’s nachts. Daarom zaten ze overdag bij mijn ouders.”

Kamp Havelte

Judi is geboren op 30 juli 1944. Ze heeft nog een oudere broer en zus die respectievelijk twee en achttien jaar ouder zijn. Haar vader was niet bij haar geboorte. Hij verbleef in Kamp Havelte, een werkkamp. “De Duitsers lieten mensen als mijn vader relatief met rust, maar ze werden wel gesepareerd.” In juli moest Mozes zich bij Kamp Havelte melden, maar op 3 oktober werd hij alweer gesignaleerd in Dokkum. Hij was ontsnapt, met hulp van een Duitse officier. “Toen hij terugkeerde naar Dokkum is hij door veel mensen geholpen. Daar waren ook mensen bij die er destijds voor hadden gekozen om lid te zijn van de NSB. Zij zorgden ervoor dat het hele gezin allerlei spullen en voedsel kreeg, bijvoorbeeld een glazen aspirinebuisje waar thee in zat. Wanneer er razzia’s werden gehouden gaven ze mijn ouders een seintje en verborg vader zich in de dakgoot. Mijn zusje nam mijn broertje dan altijd mee uit wandelen, om te voorkomen dat hij zijn mond voorbij zou praten.”


Na de oorlog zijn Mozes en Martje in Dokkum gebleven Zij hadden de oorlog overleefd, maar Mozes’ familie keerde niet terug uit de Duitse vernietigingskampen. “Mijn vader was na de oorlog een gebroken man en hij is de rest van zijn leven ziekelijk gebleven. Hij wist van het bestaan van zijn nichtje, Maria en hij wist dat ze bij de familie Venselaar in Delft terecht was gekomen. Mijn ouders hebben alles willen proberen om Maria in huis te nemen. Maar dat bleek helemaal niet zo makkelijk. Het Joods Maatschappelijk Werk, dat de voogdij regelde, was erg streng. Je moest aan allerlei eisen voldoen om een Joods kind in je familie op te nemen, zelfs al was het een kind van de bloedeigen zus. Je moest bijvoorbeeld een bepaald inkomen hebben. Mijn vader had na de oorlog geen werk. Hij was geestelijk en lichamelijk niet sterk door alles wat er was gebeurd. De huiselijke situatie was ook niet ideaal om er nog een kind bij te hebben. Mijn ouders hadden hun handen vol aan mijn broertje en mij. Mijn zus is in 1947 getrouwd, maar heeft nog een aantal jaren met haar man en twee kinderen bij ons ingewoond. Zwager Wim was namelijk dienstplichtige militair en werd naar Indonesië gestuurd. Is dat een situatie waarin je een verweesd nichtje in huis moet halen? Het was dus een lastige situatie, maar mijn ouders hadden er ook problemen mee om Maria weg te halen bij de mensen die haar in de oorlog goed hadden opgevangen.”

Pension

Toen Mozes na de oorlog een lelijke val maakte en daar rugklachten aan overhield, was de kans op een baan definitief verkeken. De familie verhuisde naar Delft, de stad waar Maria woonde bij haar pleegouders. Ze begonnen er een pension aan de Oude Delft 178. Een groot huis, met veertien kamers. “Het was 1953, het jaar van de watersnoodramp. Ik kan me herinneren dat we toen evacués uit Zeeland hebben opgevangen. In die tijd was er in het noorden van het land weinig werk. Veel mensen kwamen naar het westen, op zoek naar werk, en huurden een kamer in ons pension. Ook woonden er veel studenten, die in de weekenden naar huis gingen. In het weekend kwamen er dikwijls buitenlandse toeristen via de VVV, ook Duitsers. Mijn ouders hadden het daar vreselijk moeilijk mee. Ik was negen jaar toen we in Delft arriveerden. Ik sliep op zolder, en als ik niet naar school was hielp ik mee in de bediening: boterhammen smeren, thee zetten. Op school ging het niet lekker. Op de Jan Vermeerschool werd ik niet geaccepteerd door mijn klasgenoten. Ik werd gepest vanwege mijn Joodse achternaam en mijn Friese accent.” Judi zat in de vierde klas van de Joost ’t Hooftschool toen zowel de gezondheid van haar vader als die van haar moeder achteruitging. Ze stopte met haar middelbare schoolopleiding en ging werken als hulpverkoopster bij Vroom en Dreesman. Daarnaast hielp ze haar ouders in het pension. “Dat was vanzelfsprekend. Op dat moment vond ik het niet erg. Nu wel.” Het was in haar middelbare-schooltijd dat Judi zich bewust werd van haar Joodse identiteit. “Het begon te kriebelen, waarschijnlijk omdat ik niet geaccepteerd werd door de andere kinderen. Ik werd lid van de Joodse jeugdbeweging. Daar voelde ik me voor het eerst thuis, geaccepteerd. In de loop der tijd is dat Joodse gevoel alleen maar sterker geworden, zeker toen Judi betrokken raakte bij de Stichting Kfar Saba. Deze is in 1968 opgericht om vriendschappelijke banden tussen inwoners en instellingen van Delft en Kfar Saba (Israël) te bevorderen. Er zijn regelmatig uitwisselingsprogramma’s. Judi is al twintig jaar bestuurslid en de laatste tien jaar voorzitter van de stichting en is regelmatig in Israël te vinden. Ze beschouwt het als haar tweede vaderland. “Ik voel me verwant met het Joodse geloof en de Joodse belevingswereld, maar ik praktizeer het niet. Misschien uit angst voor het verleden.” Ze maakt echter geen geheim van haar overtuiging, onder meer door het dragen van een halsketting met een kleine Davidster. Die draagt ze ook als ze als Buitengewoon Ambtenaar van de Burgelijke Stand huwelijken sluit. “Als mensen daar moeite mee hebben, moeten ze maar een andere trouwambtenaar zoeken.” Israel wordt steeds belangrijker in haar leven en afscheid nemen van de mensen in Kfar Saba steeds moeilijker. “We worden daar echt beschouwd alsof we familie zijn van elkaar. We vieren bijvoorbeeld gezamenlijk shabath met de burgemeester van Kfar Saba, Yehuda Ben Hamu en zijn familie. De laatste drie jaar vieren we de Israëlische Onafhankelijkheidsdag, een dag vol herinneringen, in Kfar Saba. Dan wordt er altijd een muziekfestival georganiseerd. Het is fantastisch om daarbij aanwezig te zijn.”

Onrechtvaardig

Al een aantal jaren is Judi in een strijd verwikkeld met de Nederlandse overheid. Ze zoekt officiële erkenning als vervolgingsslachtoffer en wil in aanmerking komen voor een uitkering volgens de Wet op vervolgingsslachtoffers. Ze heeft daarvoor een verzoek ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank, dat is afgewezen. Ze hoopt nu dat de Raad van State uitsluitsel gaat geven. “Bij de Sociale Verzekeringsbank zeiden ze: ‘Wat kom je doen? Aan wat voor gevaren heb jij nou blootgestaan?’ Dat vind ik onrechtvaardig. In de ogen van de Nederlandse staat ben ik geen oorlogsslachtoffer, maar een oorlogsgetroffene. Dat is een subtiel verschil, maar wel één met grote gevolgen. Mijn vader kreeg een uitkering als vervolgingsslachtoffer en mijn moeder kreeg een uitkering van de Stichting 1940-1945 omdat ze in het verzet had gezeten. Mijn hele leven is overschaduwd door de oorlog, maar ik val in geen enkele categorie. Ik heb mijn ouders verzorgd, ik heb mijn opleiding niet afgemaakt en ik heb emotionele schade opgelopen, al is die niet meetbaar. Het is niet makkelijk om op te groeien met een vader wiens volledige familie is vermoord. Ik draag al die ellende met me mee. Wat voor impact heeft dat op een kind?”

Joodse tegoeden

In 1967 is Judi getrouwd met Karel Klok, iemand zonder Joodse achtergrond. Samen hebben zij één zoon en twee kleinkinderen. Karel steunt haar in alle opzichten, ook in haar affiniteit met het Joodse geloof en haar worsteling met haar identiteit. De Joodse gemeenschap erkent alleen kinderen van een Joodse moeder als Joods. Judi, met haar gereformeerde moeder, vindt bij deze groep mensen dus geen gehoor. Vanwege haar Joodse achternaam beschouwen niet-Joden haar echter wel als Joods. “Ik zit voortdurend in een soort spagaat. Vandaar mijn zoektocht naar erkenning.” Judi kwam wèl in aanmerking voor een uitkering in het kader van de Maror-regeling. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de bezittingen van veel Joden in beslag genomen. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd dit opnieuw aan de kaak gesteld. Uiteindelijk heeft de Nederlandse overheid 181,5 miljoen euro ter beschikking gesteld aan de slachtoffers en hun nabestaanden. “Om in aanmerking te komen voor die uitkering moest je aan een aantal voorwaarden voldoen. Je moest bijvoorbeeld twee Joodse grootouders hebben. Nou, die had ik. Dus ik heb een bedrag ontvangen. Waarom gelden er voor een uitkering als oorlogsgetroffene andere regels? Waarom besta ik nu ineens niet?“ Judi weet dat ze deze strijd niet gaat winnen. “De wet is knalhard. Maar ik wil één keer mijn verhaal vertellen. Al is het maar om mijn gedrag te verklaren. Ik kan niet tegen onrecht. Als ik daarmee word geconfronteerd ben ik als een terriër.” Die houding kwam haar goed van pas in haar vakbondswerk bij de Abva Kabo FNV. Judi werkte vele jaren als secretaris van de afdeling Delft en ook als gekozen bondsbestuurder in het Hoofdbestuur van de AbvaKabo FNV. “Ik heb altijd geknokt voor andere mensen. Het zou fijn zijn als er nou ook eens iemand voor mij zou knokken.”

door Trudy van der Wees