woensdag 5 februari 2014

Bij ons aan de Chopinlaan: Een buurt vol beloftes

Door mijn werk kom ik op plaatsen waar de meeste mensen niet komen. Dat beschouw ik als een groot voorrecht. Het afgelopen jaar had ik bijzondere ontmoetingen met doodgewone mensen in de Gillisbuurt. Ik kende de buurt alleen van naam. Ik had er geen kennissen en er zijn geen voorzieningen die me uitnodigen om mijn veilige, vertrouwde omgeving te verlaten. Waren die er maar, dan zou iedereen met eigen ogen kunnen zien dat het negatieve imago van ‘Gillis’ niet klopt met de werkelijkheid. Het is wèl een fascinerende wijk. Als blanke vrouw heb je het gevoel dat je een vreemde, onbekende wereld binnentreedt. Maar ik werd er gastvrij ontvangen. Inmiddels ben ik er uitgenodigd voor Oud en Nieuw, een barbecue en een Iraanse maaltijd. Ik voel me vereerd dat al deze mensen mij een kijkje in hun leven boden. Wat ik hoorde en zag heeft me verbaasd en soms ook ontroerd. Hoe lukt het om met zoveel verschillende culturen samen te leven op een paar vierkante kilometer? Hoe houdt je de moed erin bij tegenslagen? Hoe bouw je een bestaan op als je de taal onvoldoende beheerst of door je persoonlijke achtergrond niet de energie hebt om een goede invulling te geven aan je bestaan? Ik ben onder de indruk geraakt van de veerkracht van de bewoners, die soms maar een heel klein zetje nodig hebben om met meer zelfvertrouwen de sprong naar zelfstandigheid te maken. Ik bewonder de kinderen, die met een blije en onbevangen blik naar de toekomst kijken. En ik doe een schietgebedje dat ze de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen en uit te groeien tot krachtige mensen, die een waardevolle rol kunnen spelen in onze samenleving. Wie weet woont hier in ‘Gillis’ de nieuwe Barack Obama of Oprah Winfrey. Geloof me, de Gillisbuurt is geen achterstandsbuurt. Het is een buurt vol beloftes. 

Bij ons aan de Chopinlaan: Broers

De man trekt zijn muts over zijn hoofd en knoopt zijn warme jas dicht. Je zou denken dat hij na dertig jaar wel gewend zou zijn aan de Nederlandse herfst en winter, maar telkens laat hij zich verrassen door de invallende kou. Straks, in Suriname, zal hij er geen last meer van hebben. Hij gaat terug, heeft hij gezegd. Terug naar zijn wortels. ‘Ik heb mijn bijdrage aan de maatschappij geleverd. Ik ga nu lekker genieten.’ Hij is over de zestig. Vorig jaar raakte hij zijn baan kwijt en hij kwam niet meer aan de slag. Hij moest erg wennen aan de nieuwe situatie. Hij had zijn hele leven gewerkt. Thuis kwamen de muren op hem af. Vrijwilligerswerk werd zijn redding. Zes maanden lang werkte hij met veel plezier als parkeerwacht bij het Reinier de Graaf Gasthuis en hij maakt deel uit van het buurtteam in de Gillisbuurt. Dit team van vrijwilligers spreekt buurtbewoners aan op hun gedrag, organiseert schoonmaakacties en neemt contact op met de gemeente als er zaken geregeld moeten worden. ‘Met onze persoonlijke aanpak proberen we de mentaliteit van de mensen te veranderen.’ Dat lukt, al gaat er veel tijd overheen. Het is een kwestie van geduld en tolerantie. Vanwege de vele culturele achtergronden verloopt de communicatie met buurtbewoners nu eenmaal moeizaam. Zelfs binnen het buurtteam ontstaan soms misverstanden omdat iemand per ongeluk wel eens iets anders zegt dan hij bedoelt. Maar het komt ook voor dat iemand door zijn culturele achtergrond een heel andere kijk op de dingen heeft. ‘Daar moet je niet boos over worden. Daar kun je juist van leren.’ De negen leden van het buurtteam kunnen prima met elkaar opschieten. Het is een bont gezelschap van Nederlanders,  Surinamers, Turken, Marokkanen en Somaliërs. Ondanks de cultuurverschillen en taalbarrières is de onderlinge band hecht. ‘We gaan als broers met elkaar om.’ Hij zal ze missen, straks in Nieuw-Amsterdam. 

Bij ons aan de Chopinlaan: In hetzelfde schuitje

‘No man is an island’, schreef John Donne. Ik moet aan de 17de-eeuwse dichter denken als ik afscheid neem van een Somalische vrouw die inspirerend kan vertellen over haar leven in de Gillisbuurt. Niemand is een eiland. We maken allemaal deel uit van een groter geheel. Ze was twintig toen ze verhuisde naar Nederland. Ze was nog jong en flexibel, nam enthousiast taallessen en omarmde haar nieuwe vaderland. Ze werkt op basisschool De Horizon, waar ze ooit als vrijwilliger begon. ‘Ik wilde niet thuis zitten. Ik wilde iets doen, maar ik wist niet waar te beginnen. Ik kende geen kip. Gelukkig had ik een leuke klik met de juf van mijn zoon. Zij betrok me bij allerlei activiteiten. Als je één persoon kent, komt de rest vanzelf.’ Werken bij de Horizon hielp haar met inburgeren. Ze leerde de taal en sloot vriendschap met andere moeders. ‘We zijn een soort familie van elkaar geworden. Er is veel eenzaamheid onder allochtonen. Veel mensen hebben hun familie en vrienden achtergelaten in hun vaderland. Ze moeten hier helemaal opnieuw beginnen: werk vinden, de taal leren, vrienden maken. Juist dan heb je elkaar hard nodig. We helpen elkaar om samen een nieuw leven op te bouwen.’ Dan moet de ander die hulp natuurlijk wèl toelaten. ‘Sommige mensen zijn te trots om hulp te vragen, of ze hebben er de energie niet voor.  Maar we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We kunnen elkaar op allerlei manieren helpen. De één is misschien wat mondiger of weet al wat beter de weg naar nuttige instanties. Ik neem graag mensen mee naar buurtactiviteiten. Die zijn heel erg belangrijk. Je ontmoet er nieuwe mensen, je leert er dingen te ondernemen. Natuurlijk is dat in het begin hartstikke eng. Daar is lef voor nodig. Dat heeft niet iedereen. Daarom is het zo belangrijk om lotgenoten om je heen te hebben.’


Bij ons aan de Chopinlaan: 'Zusterwijk Gillis'

Hij is er niet opgegroeid, maar kent de buurt van vroeger, toen hij er regelmatig kwam voetballen. ‘Gillis’ won altijd. Waren ze gewoon beter? Konden zij vaker oefenen op één van de vele trapveldjes in de buurt? Hij weet één ding zeker: als er een voetbaltoernooi zou worden georganiseerd tussen de verschillende Delftse buurten en wijken, dan werd ‘Gillis’ kampioen. Sinds kort is hij er weer terug. Als vrijwilliger bij helpt hij bij de organisatie van allerlei Kan Wel!-projecten voor de jeugd. Hij was nieuwsgierig geworden naar de buurt, geprikkeld door berichtgeving in de media en het gemak waarmee mensen zich op verjaardagsfeestjes een oordeel aanmeten over een stukje Delft waar ze zelf nog nooit zijn geweest. Hij wilde met eigen ogen zien wat er in de buurt aan de hand is, praatte met mensen, verdiepte zich in hun achtergrond. Hij ziet hun problemen, maar ook de kansen en de successen die zijn geboekt. Het is te makkelijk om de problemen van de Chopinlaan op te hangen aan het feit dat er veel minderheden wonen, vindt hij. In blanke buurten gaan of gingen er ook dingen mis. Hoe was het twintig jaar geleden in de Wippolder, in Betondorp in Amsterdam of in de Haagse Schilderswijk? De Gillisbuurt is een wereld op zich, dat zeker. Een buurt waar bewoners zich meer één voelen dan in menig andere Delftse wijk. Zo’n sterk wij-gevoel kan mensen ook afschrikken. De Gillisbuurt is een enclave met een onzichtbare muur eromheen. Mensen uit ‘Gillis’ zouden hun buurt wat vaker moeten verlaten en andere Delftenaren zouden er eens heen moeten gaan. Dit kan een einde maken aan veel misverstanden, onbegrip en misplaatste arrogantie. Ik stel voor dat we alle internationale stedenbanden opdoeken en al onze energie steken in uitwisselingen met ‘zusterwijken’ dicht bij huis. Ook daar kun je werken aan vriendschap, integratie en wederzijds begrip tussen verschillende culturen.


Bij ons aan de Chopinlaan: Heimwee

Ze is graag buiten. Dus zit ze vaak op haar balkon, met een sigaartje. Soms roept ze iets naar beneden, naar de jongeren die zich op het plein ophouden. Ze roept ze tot de orde of maakt juist grapjes. Ze weet: humor breekt altijd het ijs. De meeste jongeren kent ze bij naam. En zij haar. Ze is één van de waardevolle buurtbewoners op wie Woonbron altijd een beroep kan doen als er iets moet worden georganiseerd in de wijk. Zelf heeft de Surinaamse er ook geen moeite mee om iemand om hulp te vragen. Als de computer kuren heeft, schakelt ze de bovenbuurman in; als er zware meubelen moeten worden verschoven, klopt ze bij iemand anders aan. En iedereen staat altijd klaar. Omdat ze het vriendelijk en respectvol vraagt. Zij vindt dat de normaalste zaak van de wereld: ‘Je moet uiteindelijk allemaal door één deur, dus je kunt maar beter zorgen dat je het gezellig hebt met elkaar.’ Ze woont al 33 jaar aan de Chopinlaan. Ze dacht er de rest van haar leven door te brengen, maar ze gaat nu toch weg. Terug naar haar geboorteland. Vroeger ging ze er elk jaar drie maanden naartoe, in de winter. Tegenwoordig is het wettelijk toegestaan om maximaal vier weken daar te zijn. Dat vindt ze te kort. Zeker nu ze wat ouder wordt. De Nederlandse winters deprimeren haar. De kou kruipt in haar botten en ze vreest de eenzaamheid van de oude dag. Heimwee drijft naar terug naar Suriname, waar ze familie en vrienden heeft die haar nodig hebben. Zonnig Suriname, waar de mensen vrolijk zijn en je met slechts een aow-uitkering op een aangename manier oud kunt worden. Het is leuk om in een wijk met allerlei culturen te wonen, maar tegen heimwee is geen kruid gewassen. Zelfs na 33 jaar.


vrijdag 26 april 2013

Met Pierre van Hauwe beleefde Delftse muziekonderwijs glorietijd


 

Het culturele leven stond in het na-oorlogse Delft op een laag pitje. Muziekonderwijs was er wel, maar niet voor een breed publiek. De oprichting van de Stedelijke Muziekschool bracht hier verandering in. Delft maakte in de jaren zestig een enorme inhaalslag. Dankzij de bevlogen muziekpedagoog Pierre van Hauwe liep Delft niet meer achter op het gebied van muziekonderwijs, maar werd ze zelfs trendsetter.

In 2014 bestaat de Vrije Akademie, Centrum voor de Kunsten 25 jaar.  Een generatie Delftenaren heeft aan de Westvest 9 haar creativiteit ontdekt of verder ontwikkeld. Dit is ook de plek van waaruit al vele jaren cultuureducatie op de Delftse basisscholen wordt verzorgd. Cultuureducatie bestond al voor de Tweede Wereldoorlog, zij het niet in de uitgebreide vorm zoals we die nu kennen. Muziekonderwijs, meer specifiek zangonderwijs, werd verzorgd door kerkmusici die verbonden waren aan rooms-katholieke of protestantse kerken. In de praktijk kwam het erop neer dat de kinderen tijdens de muzieklessen op school de liederen leerden die ze op zondag werden geacht in de kerk te zingen, zoals psalmen, kerkliederen of  gregoriaanse gezangen. Het muziekonderwijs bestond verder uit muziektheorie. In rooms-katholieke kringen leerden de kinderen het notenschrift aan de hand van de zogenoemde methode Ward, ontwikkeld door de Amerikaanse muziekpedagoge Justine Bayard Ward (1879-1975). Het repertoire bestond uit klassieke liederen, gregoriaanse gezangen en volksliedjes. Ward  gebruikte de zogenoemde solmisatie, waarbij muziektonen  niet worden aangeduid als a, b, c,d,e, f en g, maar als do (of ut), re, mi, fa, so(l), la, ti (si), do, en geschreven werden met de cijfers van 1 tot 7, wat het zingen van bladmuziek zonder tekst aanzienlijk vereenvoudigde. In Nederland was het Willem Gehrels (1985-1971) die in de jaren dertig baanbrekend verrichtte op het gebied van muzikale vorming van kinderen. Zijn methode was een van de eerste complete didactische zangmethodes voor het onderwijs, die uitging van het zingen van volksliederen en die streefde naar een algemene muzikale vorming van het kind. Ook Gehrels solmiseerde op do, re mi, en hij  gebruikte handgebaren voor de verschillende tonen. Gehrels richtte in 1932 in Amsterdam de eerste Volksmuziekschool van Nederland op. Ook Delft kreeg er één. Hier maakten kinderen kennis met wereldse muziek: volksliedjes, volksdansjes, kampliedjes. Het was muziek die sterk werd beïnvloed door de toenmalige socialistische ideeën over volksverheffing.


 
Copyright: Stichting Pierre van Hauwe; Rosemieke van Hauwe.


Pierre van Hauwe
 Begin jaren zestig kwam er een nieuwe muziekmethode bij: Spelen met Muziek, het geesteskind van Pierre van Hauwe (1920-2009). De jonge musicus trad in 1945 in dienst van de Sint-Hippolytuskerk aan de Voorstraat. Van daaruit verzorgde hij muziekonderwijs op R.K. lagere scholen en de huishoudscholen en ulo’s  in de stad. Met leerlingen van de Delftse huishoudschool aan de Voorstraat richtte hij in 1946 het Delfts Madrigaalkoor op, dat internationale grote bekendheid kreeg. Van Hauwe werd in 1960 directeur van de Stedelijke Muziekschool Delft, het product van een fusie tussen de Delftse Volksmuziekschool en de in de jaren vijftig opgerichte Katholieke Muziekschool.  De school, die meteen al 750 leerlingen telde (drie jaar later was dit aantal al gegroeid tot 1200), opende haar deuren aan de Gasthuislaan 206, in de voormalige Prinses Julianaschool. Vijfentwintig vakdocenten helpen mee de achterstand die in Delft op muzikaal terrein heerste, in te lopen.  Omdat het Delftse gemeentebestuur het muziekonderwijs uit ideële overwegingen zwaar subsidieerde, en de tarieven bewust laag werden gehouden, was het muziekonderwijs toegankelijk voor een zeer brede laag van de bevolking.

Muziekles op school

Ook voor muziekonderwijs op school kwam meer aandacht. Het gemeentebestuur besloot in 1962 dat leerlingen van de vijfde en zesde klassen in het lager onderwijs voortaan muziekonderwijs moesten krijgen van vakkrachten. Elke klas kreeg tien lesuren per jaar. Door deze maatregel werd Delft de eerste gemeente in ons land waar muzikale vorming zich uitstrekte tot alle lagere scholen. Docenten van de Stedelijke Muziekschool bezochten, gewapend met bandrecorders en platenspelers en later ook de Orff-instrumenten, de Delftse scholen om op locatie muziekles te geven: muziek luisteren, muziek maken, muziektheorie. Later werd het lesprogramma uitgebreid. Hoogtepunt van het muzikale schooljaar was de befaamde Volkszangdag, waaraan zo´n tweeduizend leerlingen van de hoogste klassen van de lagere school deelnamen. Ze verzamelden zich op de Delftse Markt om met muzikale ondersteuning van het harmonieorkest van de Kabelfabriek, later van de Gist- en Spiritusfabriek (de latere Koninklijke Harmoniekapel Delft),  van tevoren op school ingestudeerde liedjes te zingen. Een soort scratch avant la lettre. Een hele generatie Delftenaren denkt nog wel eens met weemoed terug aan deze avonden waarop liedjes als ‘Gouden Zonne’, ‘Hertog Jan’, of ‘Hoort de muzikanten’ meerstemmig over de oude binnenstad klonken.

Spelen met Muziek
Van Hauwe had heel specifieke ideeën over muziekonderwijs. Hij vond dat de wijze waarop muziekonderwijs werd gegeven niet mocht worden overgelaten aan de kundigheid en willekeur van de docent. Er moest methodisch muziekonderwijs komen, en wel volgens een methode die hij zelf had ontwikkeld: Spelen met Muziek. Van Hauwe had zich hiervoor laten inspireren door de Hongaarse muziekpedagoog Zoltán Kodály en de Duitse musicus Carl Orff. Alle kleuter- en lagere scholen (en later de basisscholen) in Delft gebruikten tot ver in de jaren negentig deze methode in de lessen Algemene Muzikale Vorming (AMV). Na het succesvol doorlopen van de driejarige AMV - een cursus van de muziekschool waarvoor ouders apart moesten betalen - konden leerlingen doorstromen naar de muziekschool, waar ze een instrument leerden bespelen. Van Hauwe’s methode was baanbrekend. Veel Nederlandse gemeenten volgden het Delftse voorbeeld en ook het buitenland bleek zeer geïnteresseerd. Om te laten zien en horen wat er met zijn methode kon worden bereikt, maakte Van Hauwe regelmatig internationale concertreizen met zijn muziekschoolorkesten. Pedagogisch uitgangspunt in deze orkesten was dat iedere muziekschoolleerling vanaf AMV-leeftijd tot jong volwassene op ieder niveau van muzikale ontwikkeling een plaats kon krijgen in een muziekschoolorkest dat voor een groot deel bestond uit typische Orff-instrumenten (klokkenspel, xylofoon, pauken, trommels, en andere percussie-instrumenten). Strijkers en blazers kregen orkestpartijen op hun eigen niveau.  Een groot blokfluitkoor in 4- of 5-stemmige zetting was een vaste kern in deze orkesten.

Vrije Akademie

De Stedelijke Muziekschool groeide door en werd uitgebreid met andere disciplines, zoals dans en handvaardigheid. Door fusies met de Hazelhorstschool voor handenarbeid en vrije expressie en de stedelijke balletschool werd het als Kreativiteitscentrum, later Vrije Akademie, Centrum voor de Kunsten (VAK), mogelijk een breed pallet aan creativiteitscursussen aan te bieden voor kinderen en volwassenen. Dat gebeurde aanvankelijk vanuit het voormalige Zusterhuis aan de Koornmarkt, met dependances op verschillende locaties in de stad. In 1989 verhuisde de VAK naar de Westvest 9. Daar werden alle disciplines gebundeld en werd er een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de geschiedenis van de cultuureducatie in Delft.

Dit artikel is eerder verschenen in Delf, een uitgave van Erfgoed Delft e.o.

zie ook www.pierrevanhauwe.org


 

Bij ons aan de Chopinlaan: Niet klein te krijgen


Onverwachte tegenslagen en verkeerde inschattingen kunnen een mens lelijk in de problemen brengen.  Soms moet je leren ‘help’ te roepen als dingen dreigen mis te gaan.

Ze was 24 jaar toen ze van Den Haag verhuisde naar Delft. Dolblij met haar ruime woning aan de Chopinlaan. Eindelijk wat meer woon- en leefruimte voor zichzelf en haar twee kleine kinderen. Maar ze kon haar draai niet vinden. Ze kende er niemand. Ze had geen werk. De problemen stapelden zich op. Ze maakte schulden. Ze werd een vaste klant bij de voedselbank. Ze dreigde haar woning kwijt te raken. Achteraf was dat een zegen, want zo kwam ze bij de Financiële Winkel van de gemeente Delft terecht. Het werd een keerpunt in haar leven. Deze vrouw was niet gewend mensen lastig te vallen met persoonlijke problemen. Die hield je voor je, of loste je zelf op. Dat er instanties zijn die je belangeloos helpen, daarvan had ze geen idee. Ze had het veel te druk met overleven. Het gaat nu weer goed met de Surinaamse. De schulden zijn afbetaald. Via het Werkplein heeft ze werk gevonden in de thuiszorg. Ze is bezig met het opzetten van een gastouderproject. Woonbron helpt haar de flat op te fleuren. Ze heeft haar schroom overwonnen en stapt tegenwoordig overal op af. ‘Ik heb gemerkt dat het helemaal niet erg is om mensen om hulp te vragen. En ik ben ook niet meer bang om bij de gemeente aan te kloppen.’ Ze gaat ook niet langer anoniem door het leven. Ze heeft een leuk contact met andere ouders die ze ontmoet op het schoolplein van De Horizon en ze is vrijwilliger bij de Playground. ‘Als ik nu over straat loop, zeggen veel mensen hoi tegen me. Ik voel me hier nu thuis.’ Haar ogen stralen. Hier staat een mooie, sterke vrouw. Die krijg je niet meer klein.
Trudy van der Wees

Deze column is eerder verschenen in Delft op Zondag en is mede mogelijk gemaakt door Woonbron Delft