woensdag 5 februari 2014

Hoop

Opstand en verzet zijn grote woorden. Je gedachten blijven automatisch steken bij de Tweede Wereldoorlog, terwijl er door de eeuwen heen voortdurend groot en klein verzet is geboden tegen maatschappelijke of politieke ontwikkelingen. Soms volstaat het om de stad vol te hangen met NEE-posters. In andere gevallen wordt er letterlijk gevochten of wordt er lijdzaam verzet geboden. Voor het plegen van verzet moet je lef hebben en vooral veel geduld. Maar weinig opstanden leiden à la minute tot succes. Neem de rassensegregatie in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Hoe lang heeft die wel niet bestaan? Dichter bij huis, neem de vrouwenemancipatie. Die begon met Aletta Jacobs (1854-1929), maar het duurde tot ver na de Tweede Wereldoorlog voordat vrouwen min of meer gelijke rechten kregen. En nog steeds laat de emancipatie hier en daar te wensen over. Inmiddels heeft de SGP in Vlissingen een vrouwelijke lijsttrekker. Da’s mooi. Overigens ging dat niet helemaal van harte. Vijf mannen die eerder waren benaderd zeiden nee. Dan maar in hemelsnaam een vrouw. Maar, niet zeuren, het is een begin. Ik moet ook denken aan Hans Paul Verhoef, die in 1989 op een Amerikaans vliegveld gearresteerd. De Delftenaar mocht het land niet in omdat hij aids had. Hij spande een rechtszaak aan en het onderwerp kreeg internationale aandacht, maar het duurde nog tot 2010 voordat de VS het gewraakte inreisbeleid wijzigde. Toen de gemeente Delft een homo-emancipatieprijs instelde, werd deze naar Hans Paul Verhoef genoemd. Dat de prijs sinds 2001 niet meer is uitgereikt, wil overigens niet zeggen dat de homo-emancipatie in Delft is voltooid. Op de website 50jaar.amnesty.nl staan 25 momenten van hoop. Historische momenten waarop opstand en verzet tot een doorbraak lijken te leiden. Van Martin Luther King en de Praagse Lente tot de val van Saddam Hoessein. Hoop doet leven. Alleen jammer dat deze momenten van hoop ook erg veel slachtoffers vergen. En niet zelden wordt de hoop net zo eenvoudig weer de grond in geslagen en verandert er helemaal niets. Gelukkig zijn er altijd mensen die zich daar niet door laten weerhouden, die onverstoorbaar tegen de stroom in blijven zwemmen. Hun tijd komt. Ooit. Althans, dat hoop ik van harte. 

Eerder verschenen in Delf, 2013

Deltenaren On Tour



In de Delf werd in het artikel over Pierre van Hauwe heel even over de Volkszangdagen gesproken. Generaties Delftenaren bewaren mooie herinneringen aan de massale bijeenkomsten op de Markt, waarbij duizenden kinderen liedjes zongen waarvan ik nu met terugwerkende kracht denk: wat een zware teksten eigenlijk. Goude zonne, jij met je daav’rende, stralende kracht; hoog aan de hemel, schijn je in glansrijke pracht. Dreigen duist’re wolken, toch blijf je trouw aan je lichtende plicht, hoog boven leed en vreugde, schijn jij en geef jij ons licht. Als tweestemmige canon klonk het prachtig, maar het is niet bepaald het repertoire van Kinderen voor Kinderen. Ik durf te wedden dat kinderen die nu op de basisschool zitten, deze liedjes ook niet meer leren. Ik had graag zelf aan die Volkszangdagen meegedaan, maar toen ik eindelijk aan de beurt was, begin jaren zeventig, was het fenomeen afgeschaft. Tot mijn grote verdriet, mag ik wel zeggen. Ik had me er jarenlang op verheugd en geoefend op het tjing boem, tjing boem, tjing boem tralalala…! Vaste prik tijdens de Volkszangdagen was ook het wonderschone lied Klokke Roeland. Het is het officiële lied van de stad Gent, geschreven in 1877. De openingszin, Boven Gent rijst is bij vrijwel iedere Vlaming bekend. Dat heel veel Delftenaren dat lied ook uit het hoofd kennen en probleemloos kunnen produceren - en het ook jarenlang hèbben geproduceerd - is voor onze zuiderburen onbegrijpelijk. Toen een vriend van me ooit de Gentse Feesten bezocht, een meerdaags festival dat elk jaar in de stad wordt gehouden, en uitlegde waarom Delft iets heeft met dit lied, ontstond een leuk idee, dat jammer genoeg nooit is uitgevoerd. Zou het niet geweldig zijn als al die Delftenaren Klokke Roeland zouden komen zingen in Gent? Pakken we Toen Hertog Jan kwam varen meteen ook mee. Dit Brabantse volksliedje - ach Brabant is tenslotte bijna België - is ook in Vlaanderen bekend. En wat te denken van het Wilhelmus? Naar algemeen wordt aangenomen, geschreven door Filips van Marnix van Aldegonde, geboren in België? Dat weten de Gentenaren vast ook te waarderen. Kortom, ik pleit voor een Delftse Volkszangdag on tour. Ik ga het niet regelen, maar als-ie er komt, ben ik zeker van de partij! 

Eerder verschenen in Delf, 2013

Bij ons aan de Chopinlaan: Een buurt vol beloftes

Door mijn werk kom ik op plaatsen waar de meeste mensen niet komen. Dat beschouw ik als een groot voorrecht. Het afgelopen jaar had ik bijzondere ontmoetingen met doodgewone mensen in de Gillisbuurt. Ik kende de buurt alleen van naam. Ik had er geen kennissen en er zijn geen voorzieningen die me uitnodigen om mijn veilige, vertrouwde omgeving te verlaten. Waren die er maar, dan zou iedereen met eigen ogen kunnen zien dat het negatieve imago van ‘Gillis’ niet klopt met de werkelijkheid. Het is wèl een fascinerende wijk. Als blanke vrouw heb je het gevoel dat je een vreemde, onbekende wereld binnentreedt. Maar ik werd er gastvrij ontvangen. Inmiddels ben ik er uitgenodigd voor Oud en Nieuw, een barbecue en een Iraanse maaltijd. Ik voel me vereerd dat al deze mensen mij een kijkje in hun leven boden. Wat ik hoorde en zag heeft me verbaasd en soms ook ontroerd. Hoe lukt het om met zoveel verschillende culturen samen te leven op een paar vierkante kilometer? Hoe houdt je de moed erin bij tegenslagen? Hoe bouw je een bestaan op als je de taal onvoldoende beheerst of door je persoonlijke achtergrond niet de energie hebt om een goede invulling te geven aan je bestaan? Ik ben onder de indruk geraakt van de veerkracht van de bewoners, die soms maar een heel klein zetje nodig hebben om met meer zelfvertrouwen de sprong naar zelfstandigheid te maken. Ik bewonder de kinderen, die met een blije en onbevangen blik naar de toekomst kijken. En ik doe een schietgebedje dat ze de kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen en uit te groeien tot krachtige mensen, die een waardevolle rol kunnen spelen in onze samenleving. Wie weet woont hier in ‘Gillis’ de nieuwe Barack Obama of Oprah Winfrey. Geloof me, de Gillisbuurt is geen achterstandsbuurt. Het is een buurt vol beloftes. 

Bij ons aan de Chopinlaan: Broers

De man trekt zijn muts over zijn hoofd en knoopt zijn warme jas dicht. Je zou denken dat hij na dertig jaar wel gewend zou zijn aan de Nederlandse herfst en winter, maar telkens laat hij zich verrassen door de invallende kou. Straks, in Suriname, zal hij er geen last meer van hebben. Hij gaat terug, heeft hij gezegd. Terug naar zijn wortels. ‘Ik heb mijn bijdrage aan de maatschappij geleverd. Ik ga nu lekker genieten.’ Hij is over de zestig. Vorig jaar raakte hij zijn baan kwijt en hij kwam niet meer aan de slag. Hij moest erg wennen aan de nieuwe situatie. Hij had zijn hele leven gewerkt. Thuis kwamen de muren op hem af. Vrijwilligerswerk werd zijn redding. Zes maanden lang werkte hij met veel plezier als parkeerwacht bij het Reinier de Graaf Gasthuis en hij maakt deel uit van het buurtteam in de Gillisbuurt. Dit team van vrijwilligers spreekt buurtbewoners aan op hun gedrag, organiseert schoonmaakacties en neemt contact op met de gemeente als er zaken geregeld moeten worden. ‘Met onze persoonlijke aanpak proberen we de mentaliteit van de mensen te veranderen.’ Dat lukt, al gaat er veel tijd overheen. Het is een kwestie van geduld en tolerantie. Vanwege de vele culturele achtergronden verloopt de communicatie met buurtbewoners nu eenmaal moeizaam. Zelfs binnen het buurtteam ontstaan soms misverstanden omdat iemand per ongeluk wel eens iets anders zegt dan hij bedoelt. Maar het komt ook voor dat iemand door zijn culturele achtergrond een heel andere kijk op de dingen heeft. ‘Daar moet je niet boos over worden. Daar kun je juist van leren.’ De negen leden van het buurtteam kunnen prima met elkaar opschieten. Het is een bont gezelschap van Nederlanders,  Surinamers, Turken, Marokkanen en Somaliërs. Ondanks de cultuurverschillen en taalbarrières is de onderlinge band hecht. ‘We gaan als broers met elkaar om.’ Hij zal ze missen, straks in Nieuw-Amsterdam. 

Bij ons aan de Chopinlaan: In hetzelfde schuitje

‘No man is an island’, schreef John Donne. Ik moet aan de 17de-eeuwse dichter denken als ik afscheid neem van een Somalische vrouw die inspirerend kan vertellen over haar leven in de Gillisbuurt. Niemand is een eiland. We maken allemaal deel uit van een groter geheel. Ze was twintig toen ze verhuisde naar Nederland. Ze was nog jong en flexibel, nam enthousiast taallessen en omarmde haar nieuwe vaderland. Ze werkt op basisschool De Horizon, waar ze ooit als vrijwilliger begon. ‘Ik wilde niet thuis zitten. Ik wilde iets doen, maar ik wist niet waar te beginnen. Ik kende geen kip. Gelukkig had ik een leuke klik met de juf van mijn zoon. Zij betrok me bij allerlei activiteiten. Als je één persoon kent, komt de rest vanzelf.’ Werken bij de Horizon hielp haar met inburgeren. Ze leerde de taal en sloot vriendschap met andere moeders. ‘We zijn een soort familie van elkaar geworden. Er is veel eenzaamheid onder allochtonen. Veel mensen hebben hun familie en vrienden achtergelaten in hun vaderland. Ze moeten hier helemaal opnieuw beginnen: werk vinden, de taal leren, vrienden maken. Juist dan heb je elkaar hard nodig. We helpen elkaar om samen een nieuw leven op te bouwen.’ Dan moet de ander die hulp natuurlijk wèl toelaten. ‘Sommige mensen zijn te trots om hulp te vragen, of ze hebben er de energie niet voor.  Maar we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We kunnen elkaar op allerlei manieren helpen. De één is misschien wat mondiger of weet al wat beter de weg naar nuttige instanties. Ik neem graag mensen mee naar buurtactiviteiten. Die zijn heel erg belangrijk. Je ontmoet er nieuwe mensen, je leert er dingen te ondernemen. Natuurlijk is dat in het begin hartstikke eng. Daar is lef voor nodig. Dat heeft niet iedereen. Daarom is het zo belangrijk om lotgenoten om je heen te hebben.’


Bij ons aan de Chopinlaan: 'Zusterwijk Gillis'

Hij is er niet opgegroeid, maar kent de buurt van vroeger, toen hij er regelmatig kwam voetballen. ‘Gillis’ won altijd. Waren ze gewoon beter? Konden zij vaker oefenen op één van de vele trapveldjes in de buurt? Hij weet één ding zeker: als er een voetbaltoernooi zou worden georganiseerd tussen de verschillende Delftse buurten en wijken, dan werd ‘Gillis’ kampioen. Sinds kort is hij er weer terug. Als vrijwilliger bij helpt hij bij de organisatie van allerlei Kan Wel!-projecten voor de jeugd. Hij was nieuwsgierig geworden naar de buurt, geprikkeld door berichtgeving in de media en het gemak waarmee mensen zich op verjaardagsfeestjes een oordeel aanmeten over een stukje Delft waar ze zelf nog nooit zijn geweest. Hij wilde met eigen ogen zien wat er in de buurt aan de hand is, praatte met mensen, verdiepte zich in hun achtergrond. Hij ziet hun problemen, maar ook de kansen en de successen die zijn geboekt. Het is te makkelijk om de problemen van de Chopinlaan op te hangen aan het feit dat er veel minderheden wonen, vindt hij. In blanke buurten gaan of gingen er ook dingen mis. Hoe was het twintig jaar geleden in de Wippolder, in Betondorp in Amsterdam of in de Haagse Schilderswijk? De Gillisbuurt is een wereld op zich, dat zeker. Een buurt waar bewoners zich meer één voelen dan in menig andere Delftse wijk. Zo’n sterk wij-gevoel kan mensen ook afschrikken. De Gillisbuurt is een enclave met een onzichtbare muur eromheen. Mensen uit ‘Gillis’ zouden hun buurt wat vaker moeten verlaten en andere Delftenaren zouden er eens heen moeten gaan. Dit kan een einde maken aan veel misverstanden, onbegrip en misplaatste arrogantie. Ik stel voor dat we alle internationale stedenbanden opdoeken en al onze energie steken in uitwisselingen met ‘zusterwijken’ dicht bij huis. Ook daar kun je werken aan vriendschap, integratie en wederzijds begrip tussen verschillende culturen.


Bij ons aan de Chopinlaan: Heimwee

Ze is graag buiten. Dus zit ze vaak op haar balkon, met een sigaartje. Soms roept ze iets naar beneden, naar de jongeren die zich op het plein ophouden. Ze roept ze tot de orde of maakt juist grapjes. Ze weet: humor breekt altijd het ijs. De meeste jongeren kent ze bij naam. En zij haar. Ze is één van de waardevolle buurtbewoners op wie Woonbron altijd een beroep kan doen als er iets moet worden georganiseerd in de wijk. Zelf heeft de Surinaamse er ook geen moeite mee om iemand om hulp te vragen. Als de computer kuren heeft, schakelt ze de bovenbuurman in; als er zware meubelen moeten worden verschoven, klopt ze bij iemand anders aan. En iedereen staat altijd klaar. Omdat ze het vriendelijk en respectvol vraagt. Zij vindt dat de normaalste zaak van de wereld: ‘Je moet uiteindelijk allemaal door één deur, dus je kunt maar beter zorgen dat je het gezellig hebt met elkaar.’ Ze woont al 33 jaar aan de Chopinlaan. Ze dacht er de rest van haar leven door te brengen, maar ze gaat nu toch weg. Terug naar haar geboorteland. Vroeger ging ze er elk jaar drie maanden naartoe, in de winter. Tegenwoordig is het wettelijk toegestaan om maximaal vier weken daar te zijn. Dat vindt ze te kort. Zeker nu ze wat ouder wordt. De Nederlandse winters deprimeren haar. De kou kruipt in haar botten en ze vreest de eenzaamheid van de oude dag. Heimwee drijft naar terug naar Suriname, waar ze familie en vrienden heeft die haar nodig hebben. Zonnig Suriname, waar de mensen vrolijk zijn en je met slechts een aow-uitkering op een aangename manier oud kunt worden. Het is leuk om in een wijk met allerlei culturen te wonen, maar tegen heimwee is geen kruid gewassen. Zelfs na 33 jaar.